Paranoiafictie met een dandy, een lijk, gaucho’s, Jung en Sartre

Wat de cowboy is voor Amerika, is de gaucho voor Argentinië. Niet alleen als historische figuur, maar – net als zijn noordelijke tegenhanger – vooral als mythische gestalte. De paardrijdende veedrijvers hebben ongetwijfeld bestaan – al nam de maté voor hen vaak de plaats van de whisky in. Maar ze prikkelden de verbeelding pas toen er rond hen een hele literatuur ontstond van moed, vrijheidsdrang en (anders dan in het noorden) verzet tegen sociaal onrecht. Ook hun mythologie kreeg vorm in de laatste decennia van de 19de eeuw.

Wat daarvan rest is vooral folklore, zowel in het Argentijnse zelfbewustzijn als in de literatuur. In zijn roman Doelwit in de nacht, die zich afspeelt in een naamloos stadje in de buurt van Buenos Aires, laat Ricardo Piglia nog wel een enkele gaucho rondlopen, zoals hij ook de sfeer van grootgrondbezit, paardencultuur en kleinsteedse corruptie – kortom de herinnering aan het oude Argentinië – levend houdt.

Maar achter die nostalgische façade dringt in het jaar 1972, waarin het verhaal zich afspeelt, een killere moderniteit al op. Op een oud fabrieksterrein moet een shopping mall verrijzen; de rijkdom komt niet langer van landbouw en veeteelt, maar van geldspeculatie en witwaspraktijken. Tegen die achtergrond situeert Piglia het plot van wat een ongewoon detective-verhaal lijkt.

Op een hotelkamer is het lijk gevonden van de Puertoricaans-Amerikaanse dandy die sinds een paar maanden het roddelcircuit van het stadje in beweging houdt. Er is sprake van een liefdesverhouding met beeldschone tweelingzusters, erfgenamen van het grootste fortuin van de streek. Van een verdwenen koffer met geld, een handel in renpaarden, die een dekmantel blijkt, familieruzies rond een failliete autofabriek, een lepe commissaris en een corrupte officier van justitie.

Ricardo Piglia (1940), docent Latijns-Amerikaanse literatuur in Princeton en een van de éminences grises van de Argentijnse literatuur, schreef met Doelwit in de nacht niet zijn eerste misdaadverhaal. Vier jaar geleden verscheen zijn al wat oudere roman Brandend geld in vertaling: de reconstructie van een bankoverval uit 1965 met dramatische afloop. Bleven de karakters toen wat vlak, misschien omdat Piglia zich te nauw aan de politieverslagen hield, nu krijgen de protagonisten alle ruimte die de zuivere fictie toelaat.

Maar psychologie is niet de belangrijkste bekommernis van Piglia, die in de jaren tachtig roem vergaarde met postmoderne romans vol literaire speelsheid en intertekstuele verwijzingen. Sindsdien zijn zijn boeken er toegankelijker op geworden, hoewel hij het spel van ontmaskering en deconstructie nog niet is vergeten.

De lepe commissaris lost de moord wel op, maar het ‘valse’ verhaal van de officier van justitie wordt niettemin de officiële waarheid. Misschien, zo laat Piglia een van zijn personages denken, moet er een nieuw detectivegenre worden uitgevonden: de paranoiafictie, waarin iedereen verdacht is en iedereen wordt vervolgd.

Wie zoekt naar een thriller die je op het puntje van de stoel houdt, kan Piglia ongelezen laten. Daarvoor is dit boek te ontregelend, met zijn voor het genre ongehoorde voetnoten en achteloze verwijzingen naar Jung, Sartre en Becketts Wachten op Godot. Dat maakt deze roman nog niet tot een nagelbijter voor postmodernen, maar het lezen ervan – anders dan bij veel van wat nu uit het Spaans vertaald wordt – evenmin tot verspilde tijd.