Opnieuw regeert een tiran in Irak

De VS vergisten zich in Saddam Husseins opvolger. Nouri al Maliki blijkt een meedogenloos politicus en een overlevingskunstenaar te zijn. Hij zette politie, leger en inlichtingendiensten naar zijn hand.

De Iraakse premier Nouri al Maliki (r.) te midden van Amerikaanse militairen op de legerbasis Fort Belvoir in Virginia op 26 juli 2006 AFP/Mandel NGA

Nouri al Maliki werd in 2006 premier van Irak omdat niemand hem vreesde. Voor de Amerikaanse bezetter was de vraag vooral of de onervaren politicus van de kleine shi’itische Dawa partij niet te zwak was. Oud-president George W. Bush zag in hem ‘een vriendelijke en oprechte man’ aan wie zijn medewerkers hun ongevraagde adviezen over het landsbestuur konden slijten. Maar hij vroeg zich af of Maliki in staat was ‘moeilijke beslissingen’ te nemen.

Zeven jaar later is van onderschatting geen sprake meer, in Bagdad noch in Washington. Maliki heeft zich een overlevingskunstenaar getoond. De vraag is niet langer of hij geschikt is voor zijn functie, maar of hij niet te veel macht naar zich toe heeft getrokken. Midden-Oostendeskundige Toby Dodge is daarover duidelijk. In zijn beknopte en nuttige boek over Irak sinds de val van het regime van Saddam Hoessein tien jaar geleden stelt hij vast dat Maliki geen model democraat is, maar ook (nog) geen dictator die Irak met ijzeren hand regeert. Daarvoor is zijn greep op het land te zwak.

Met zijn karakteristieke gevoel voor understatement schrijft Dodge dat de buitenlandse politiek van Irak niet begint bij de landsgrenzen, maar buiten Maliki’s coterie van vertrouwelingen en partijgenoten, de zogeheten Milikiyoun, in het machtscentrum van Bagdad. De man met het ongeschoren uiterlijk en de achterdochtige ogen achter een tijdloze bril is een sluwe en meedogenloze politicus. Hij speelt het spel van verdeel en heers met verve.

Maliki werd premier op een rampzalig, maar voor hem gunstig moment: vlak na de uitbraak van de burgeroorlog tussen shi’iten en sunnieten die het land tussen 2006 en 2008 in zijn greep hield. Het Amerikaanse leger onder leiding van generaal David Petraeus streed tegen milities van beide religieuze groeperingen, in de hoop daarmee de mislukking van het ‘project Irak’ te voorkomen. Die milities, met als belangrijkste Al-Qaeda-in-Irak en het shi’itische Mahdi-leger van geestelijke Moqtada al Sadr, voerden een terreurbewind in het centrum en het zuiden van het land. De Iraakse regering opereerde in een machtsvacuüm; zij was in feite irrelevant.

In de schaduw van de burgeroorlog verstevigde Maliki zijn machtsbasis via zijn netwerk van familie en geestverwanten. Een jaar na zijn aantreden schakelde hij zijn voorganger en partijleider Ibrahim al Jafaari uit. Zeker zo belangrijk was dat hij het defensieapparaat in zijn greep kreeg.

Het leger was na de val van Saddam Hussein in 2003 ontbonden. Om te voorkomen dat Irak zichweer zou oprichten als militaire macht wilde Washington aanvankelijk een doorstart maken met 40.000 Iraakse soldaten (Dodge heeft het abusievelijk over 44.000 militairen), vooral belast met grensbewaking. Opstand en burgeroorlog noopten de Amerikaanse bezetter tot een krachtige wederopbouw van het leger, alsmede tot uitbreiding van de inlichtingendiensten en oprichting van elitetroepen.

Inmiddels zijn bijna een miljoen Irakezen weer actief in het veiligheidsapparaat, verdeeld over het ministerie van Defensie (leger), het ministerie van Binnenlandse Zaken (inlichtingendiensten) en het ministerie van Algemene Zaken (elitetroepen). Inlichtingendiensten en elitetroepen vallen rechtstreeks onder Maliki of zijn vertrouwelingen. De premier zuiverde daarnaast de machtige federale politie die werd gecontroleerd door shi’itische milities en ingezet als doodseskaders tegen sunnitische burgers. Hij ontsloeg 60.000 agenten.

Tot ontsteltenis van de Amerikanen hield Maliki er eigen ideeën op na. Hij toonde zich een onbuigzame onderhandelaar bij de Status of Forces Agreement (SOFA), waarin de relatie tussen beide landen werd geregeld. De VS-delegatie zette eind 2007 in op de vestiging van 54 militaire bases, controle over het Iraakse luchtruim en de vrijwaring van vervolging voor Amerikaanse soldaten en huurlingen.

Na een jaar onderhandelen zette de delegatie uit Washington uiteindelijk haar handtekening onder een overeenkomst waarin de laatste Amerikaanse soldaten eind 2011 het land zouden verlaten. Militaire bases, controle over het luchtruim en vrijwaring van vervolging waren door Maliki afgewezen. ‘De volledige verwerping van het concept door Bagdad gaf aan hoe weinig de Verenigde Staten begrepen van de veranderingen’ die zich in de Iraakse politiek hadden voorgedaan, aldus Dodge.

Onverwachte assertiviteit bleek ook uit het drieste militaire avontuur in Basra, waartoe Maliki in maart 2008 besloot. Als bevelhebber van het leger gaf hij het sein tot de aanval op het Mahdi-leger van de radicale Moqtada al Sadr dat de Zuid-Iraakse stad onder controle had. Deze charge, onder de codenaam ‘Aanval van de Ridders’, liep uit op een mislukking. De Amerikanen schoten Maliki militair te hulp, waarna een nederlaag kon worden afgewend. Na afloop profileerde Maliki zich met succes als nationalist en bestrijder van milities, ook die van shi’itische geloofsgenoten.

Over de toekomst van Irak is Dodge somber. Na de verkiezingen in maart 2010 leek een verzoening tussen sunnieten en shi’iten mogelijk, maar daar kwam niets van terecht. De sunnieten voelen zich als voorheen buitengesloten van het bestuur, met mogelijk rampzalige gevolgen. Al-Qaeda is nog steeds actief in Irak; Dodge schat dat de terreurbeweging tussen de 2500 en 3000 aanhangers heeft, ruim twee keer zo veel als in 2011. De uitbraak van een nieuwe burgeroorlog acht hij weliswaar onwaarschijnlijk, maar misschien heeft hij te vroeg geoordeeld. Na de verschijning van het boek is het sektarisch geweld weer opgelaaid. Sinds begin april zijn in Irak ruim 2600 doden gevallen.