‘Mijn grootvader leerde me zien’

Dertig jaar duurde het voordat de Belgische dichter, essayist en romancier Stefan Hertmans zijn grootvaders dagboekcahiers uit de Eerste Wereldoorlog verwerkte tot een roman. Niet weer over die vervloekte Grote Oorlog, dacht hij aanvankelijk. „Ik wachtte omdat ik er niet rijp voor was.”

Stefan Hertmans: ‘Op een bepaald moment begint het boek aan jou te geven.’ Foto Bram Budel

Stefan Hertmans schreef aan de hand van de dagboeken die zijn grootvader hem naliet zijn versie van De Grote Vlaamse Roman. Oorlog en terpentijn is een boek geworden over een bijna archetypische ‘kleine man’ die uit plichtsbesef een held in de Eerste Wereldoorlog is, de grote liefde van zijn leven verliest en uit evenveel plichtsbesef trouwt.

Op het terrastafeltje, in de hete middagzon, tussen de kroketten en de bedauwde glazen Grüner Veltliner, komt het cahier tevoorschijn. Een vinger dik, de pagina’s dicht beschreven in het archaïsche lichthellend koordschrift van een generatie die nog gewend was de pen te voeren. Dit is een van de schriften die Urbain Martien, de grootvader van Stefan Hertmans, vulde met het verhaal van zijn leven. Enkele maanden voor zijn dood gaf hij ze aan zijn kleinzoon met een quasi-achteloos: ‘Hier, misschien kun je er iets mee.’

Dat was in 1981. Hertmans, dichter, essayist en romancier, had iets anders aan zijn hoofd in de jaren die volgden. Hij schreef poëzie, maakte naam als romancier met Naar Merelbeke, schreef het populaire Steden en publiceerde invloedrijke essaybundels als Het zwijgen van de tragedie en De mobilisatie van Arcadia.

Dan, meer dan dertig jaar later, vinden Hertmans’ vader en een oom van de schrijver onder de vloer van het villaatje dat de grootvader in de jaren dertig had laten bouwen een grafsteen. Het is de zerk van Celina Andries, Urbain Martiens moeder. Het is een raadsel waarom die onder de vloer is verstopt.

Dat is het moment waarop Hertmans aan het terrastafeltje de cahiers tevoorschijn haalt.

We kennen elkaar nauwelijks en misschien is het daarom dat ik niet goed begrijp hoe hij die schriften zo lang onaangeroerd kon laten liggen. Als ik naar dat regelmatige schrift kijk, de zinnen die zich aaneenrijgen tot een verhaal, voel ik de gretigheid van iemand die op het punt staat in het leven, de geest, van een ander te kijken.

Maar Hertmans spreekt over uitstel en angst, faalangst zelfs, en ‘weer een boek over die vervloekte Groote Oorlog’, machteloosheid ook en schuld.

Hij zegt: „Het oprechte, pure, primitieve van die dagboektekst was een belemmering. Ik voelde mij onoprecht tegenover mijn grootvader. Ik hecht aan waarachtigheid in een tekst. In de film The Draughtmans Contract van Peter Greenaway heb je die uitspraak: ‘Draw what you see, not what you know.‘ Dat is wat mijn grootvader mij leerde, toen ik klein was en hij mij leerde schilderen. Toen ik voelde dat ik waarachtig over hem kon schrijven, en dat heeft ook met leeftijd te maken en de ontwikkeling van je schrijverschap, toen pas kon ik echt iets met die dagboeken. Ik heb dertig jaar gewacht, omdat ik er gewoon niet rijp voor was.”

Urbain Martien zit bijna bij ons aan tafel, zoals Hertmans over hem spreekt. Hij laat een foto zien en houdt hem zelfs naast zijn gezicht, bijna alsof hij wil zeggen: zie je, hij en ik. Als ik zo naar hem kijk, die foto, het cahier dat tussen ons in ligt, dan is het duidelijk dat de schrijver heel erg de kleinzoon is.

En dat is niet verwonderlijk. Hij is minstens voor de helft opgevoed door zijn grootvader. „Wij woonden met drie generaties in huis, en mijn grootvader, die er altijd was, leerde mij schermen en schilderen en naar kunst kijken. Hij leerde mij vooral zien. Kijk, die lucht, dat is geen blauw, daarvoor moet je rood en geel nemen. En hoewel hij zo’n grote invloed op mij heeft gehad, waren wij toch heel verschillend. Hij heeft de moderne schilderkunst altijd afgewezen. Hij was een kopiist die Rembrandt naschilderde en Velasquez, zijn hele leven lang.”

De overeenkomsten en de verschillen tussen Stefan Hertmans en zijn grootvader zijn zichtbaar in het boek.

Een belangrijk deel van de roman volgt getrouw het leven van Urbain Martien, zoon van de ziekelijke en straatarme kerkenschilder Franciscus en de romantische Céline Andries uit een redelijk welgestelde familie van handelaren in graan en aardappelen. Urbain krijgt de liefde voor de schilderkunst mee van zijn zwoegende vader en is de oogappel van zijn formidabele moeder.

Maar zijn vader sterft jong, wat leidt tot een magistrale waanzinscène die zo in een opera kan, en lange tijd is Urbains geliefde moeder een rouwend wrak dat hopeloos ten onder lijkt te gaan aan haar peilloze verdriet. Urbain moet uit werken en raakt verzeild in de Dickensiaanse hel van jeugdarbeid in een levensgevaarlijke ijzergieterij. En nauwelijks komt het leven in het gebroken gezin tot rust of de Eerste Wereldoorlog breekt uit. Urbain gaat op weg om een bij voorbaat verloren strijd te leveren tegen veel beter bewapende oprukkende Duitse troepen.

Die periode in het leven van zijn grootvader is met grote intensiteit beschreven. De steeds nauwer wordende band tussen de jongen en zijn mooie, sterke moeder wordt geïllustreerd met een onweer dat hen overvalt. Ze hebben intiem zitten praten op het binnenplaatsje, zij heeft hem plagend gevraagd of hij al naar meisjes kijkt, en dan dondert en bliksemt het plotseling, het hoost.

Ze rennen naar binnen en sluiten gehaast de ramen. ‘Nat tot op hun blote huid staan ze daar samen in hun kwetsbare huis. Céline neemt haar zoon in haar armen’, schrijft Hertmans, om dan het dagboek van zijn grootvader aan het woord te laten: ‘Nu zij, mijne schoone moeder, mij zoo tegen hare borst aan drukte, overspoelde een groot gevoelen mij, en mijn hart ging geweldig tekeer […]’

De geladenheid van die scène keert terug als Urbain later verliefd wordt op Maria Emelia: ‘Ademen, hijgen/Boezems stijgen/hebt mij lief.’ Maar Maria sterft nog geen jaar later aan de Spaanse Griep. Urbain is dan al een oorlogsveteraan, onderscheiden voor moed, voortgekomen uit een diepgaand plichtsbesef, en zo vaak gewond geraakt dat het een wonder is dat hij leeft.

Blijkbaar heeft hij in die oorlog zoveel geluk gehad dat het voor de rest van zijn leven op was. Hij trouwt, eveneens uit plichtbesef, met de zuster van zijn gestorven geliefde en leidt met haar een rustig maar passieloos leven. En zijn schilderkunst leidt tot niets dan kopieën, net zoals hij zelf een kopie is van zijn vader en zijn vrouw van haar zuster.

Hertmans geeft de oorlogsperiode de ruimte en daarin schrijft enkele van de mooiste pagina’s die ik over ’14- ‘18 heb gelezen. Leidraad is het dagboek, maar de tekst is die van de schrijver. En die tekst is een onderdompelende ervaring waarin het geknoei van de oorlog tastbaar wordt, de chaos, de verschrikkingen en de schrijnende afstand tussen Franstalig kader en Vlaamse infanteristen die taal-, cultuur- en klassenstrijd tegelijk is en de verhoudingen voorgoed zal bederven.

„In het begin”, zegt Hertmans aan ons vredige tafeltje bij het Museumplein, „geef jij je aan het boek, maar op een bepaald moment begint het boek aan jou te geven. Toen kon ik dit ook doen: afstand nemen van het dagboek en het verhaal vertellen en de actie laten zien zonder te psychologiseren. Dat is het moment waarop je je werk nakijkt en zegt: Lul, je hebt je laten gaan. En je schrijft het opnieuw, maar nu waarachtig.”