Mijd de contrasten, zoek de nuances tussen ‘wij’ en ‘zij’

Historici vertellen vaak maar één kant van het verhaal. Ze spreken over ‘good guys’ en ‘bad guys’, maar vergeten de bepalende verbindende elementen.

De slag bij Lepanto, 1571, tussen de Turken en de Venetianen National Maritime museum Greenwich, Londen

Voor de Perzische profeet Mani (210-276) was de wereld niet al te ingewikkeld. In zijn religie, gebaseerd op een eigen canon van heilige boeken, maakte hij onderscheid tussen Licht (goed) en Duisternis (kwaad). Mani geloofde niet alleen dat deze twee entiteiten op alle facetten van het leven van toepassing waren, maar ook dat zij in een continue strijd met elkaar waren verwikkeld.

Het doel van Mani en zijn aanhangers was om de Duisternis te verslaan. Dat kon alleen door ascetisch te leven en je strikt te houden aan Mani’s wetten. Een appel plukken was bijvoorbeeld uit den boze; met zo’n handeling hielp je de Duisternis.

Mani was niet de eerste denker die de wereld simpel en binair – ofwel manicheïstisch – benaderde. Zo’n driekwart millennium eerder geloofde Zarathustra dat het de plicht van de mensheid was om zich aan te sluiten bij de engelen in hun strijd tegen de duivel. Dat Mani ook niet de laatste was, blijkt uit The undivided past van David Cannadine. Deze eminente Britse historicus onderscheidt zes verschillende collectieve identiteiten – religie, nationaliteit, klasse, gender, etniciteit en beschavingspeil – waarop ‘theologen en priesters, politici en geleerden, commentatoren en historici’ een manicheïstische visie hebben losgelaten, in verschillende tijdperken en regio’s. Steeds brachten zij een duidelijk onderscheid aan tussen ‘wij’ en ‘zij’ – tot ongenoegen van Cannadine, want op die manier gaan er volgens hem veel nuances verloren.

Een van de hardnekkigste tegenstellingen is die tussen het christendom en de islam. Zij vormen in de ogen van velen religieuze, geografische, politieke en economische rivalen, die vanaf hun eerste contact met elkaar in conflict waren en bleven – met desastreuze gevolgen. De beroemde Belgische historicus Henri Pirenne bijvoorbeeld weet het uiteenvallen van de christelijke cultuur rondom de Middellandse Zee uitsluitend aan de veroveringen van de vijandige islamitische Arabieren in de zevende eeuw – een these die hij opwierp tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de westerse mogendheden streden tegen de Turken.

Vijandigheid

Ook in de nasleep van 9/11 verschenen talloze boeken die de ‘eeuwigdurende vijandigheid’ tussen de ondeelbare christelijke en islamitische machtsblokken onderstreepten. Door zich alleen te richten op de conflicten, negeerden die auteurs volgens Cannadine de andere helft van het verhaal.

Tussen christenen en moslims is veel gevochten, maar er hebben evenveel perioden van vrede, bondgenootschappen en onderlinge kruisbestuiving bestaan: in de negende eeuw tolereerden de islamitische Abbasiden bijvoorbeeld zowel christenen als Joden in hun kalifaat, wat leidde tot een bloei van de kunsten en wetenschappen. En zowel het christendom als de islam is niet één en ondeelbaar, maar bestaat uit talloze stromingen, van zeer liberaal tot uiterst fundamentalistisch. Door dit te negeren, komen volgens Cannadine incomplete en misleidende verhalen de wereld in.

Cannadine bespeurt dergelijke simplificaties op alle terreinen die hij onderzoekt. Aan het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw, de hoogtijdagen van de natiestaat, putten historici zich bijvoorbeeld uit in heroïsche beschrijvingen van de vorming van hun eigen naties. Die volgden meestal hetzelfde stramien: de oorsprong van een natie lag in een veldslag, waarna het vaak nog eeuwen van strijd had gekost totdat de eenheid en de superioriteit van het volk waren bezegeld in de totstandkoming van een eigen staat.

Zulke historici was er weinig aan gelegen om uit te leggen hoe het kwam dat in hun natie verschillende talen werden gesproken (zoals in vrijwel alle Europese natiestaten het geval was) – niet bepaald een kenmerk van ‘eenheid’. De vele regionale onafhankelijkheidsbewegingen zoals in het Verenigd Koninkrijk (Wales, Schotland en Ierland) en Spanje (Baskenland en Catalonië) pasten evenmin in het plaatje van de diverse nationalistische geschiedschrijvers.

Marx en Engels

Ook communistische ideologen tikt Cannadine op de vingers. Marx en Engels plaatsten de geschiedenis in het teken van de klassenstrijd en verdeelden de wereldbevolking in landeigenaren, bourgeoisie en proletariaat, een ordening die marxistische historici als Eric Hobsbawn tot ver in de 20ste eeuw aanhielden.

Voor zover je al van ‘klassen’ kunt spreken, hadden die marxistische historici volgens Cannadine geen oog voor de dialoog die zelfs tussen arbeiders en directeuren bestond. De internationale klassenstrijd kwam uiteindelijk niet echt van de grond, omdat collectieve identiteiten als religie of nationaliteit voor veel proletariërs belangrijker waren. Dat is ook het probleem met zulke identiteiten: mensen zijn niet alleen christelijk of moslim, Nederlander of Belg, werknemer of werkgever, man of vrouw, blank of zwart: ze zijn van alles wat, en soms zelfs geheel iets anders. Bovendien beïnvloeden diverse groepen elkaar voortdurend op een complexe manier, soms conflicterend, maar veel vaker ‘door middel van dialoog, interactie, verbinding, ontlening, vermenging en assimilatie’.

Volgens Cannadine is het waardevoller om bij de bestudering van geschiedenis deze veelal genegeerde verbindende elementen als uitgangspunt te nemen, in plaats van de overschatte conflicten en scheidingslijnen – een pleidooi waarmee je het op zichzelf moeilijk oneens kunt zijn.

Mediacratie

Maar is het wel zo dat er meer aandacht is voor verschillen dan voor overeenkomsten? Toegegeven, in de huidige mediacratie hebben politici er baat bij om hun standpunten in oneliners voor het voetlicht te brengen: een simpele verdeling van de wereld in good guys en bad guys is makkelijker te verkopen dan een genuanceerd verhaal over de opvattingen van diverse regionale geledingen binnen de islamitische wereld over de westerse cultuur. Het is ook logisch dat sommige wetenschappers door de politiek worden geïnspireerd – zie de marxistische historici en de post-9/11 auteurs. Net zoals omgekeerd originele, maar generaliserende denkers soms de politiek beïnvloeden, zoals Samuel Huntington met zijn The Clash of Civilizations aanzette tot het neoconservatieve beleid van Bush en Blair om met hun war on terror de ‘westerse beschaving te redden van de ondergang’.

Het gros van de hedendaagse academische historici is echter helemaal niet bezig met het maken van grote statements, maar doet er juist alles aan om afgebakende onderwerpen te doorgronden. Zij maken geen ophef in de media, maar zijn wel degenen op wie Cannadine zich baseert bij het ontkrachten van manicheïstische visies uit heden en verleden. Zij doen in feite waar hij voor pleit.

Toch zou je er niet aan moeten denken dat het historische bedrijf alleen uit zulke auteurs bestaat. Zij zijn weliswaar onmisbaar, maar de (veel minder talrijke) historici van het grote gebaar zijn dat eveneens. Die durven het aan om uit te zoomen, grotere verbanden te leggen en scheidslijnen aan te brengen. Op die manier prikkelen ze de gedachten en wekken ze discussies op.

Paradoxaal genoeg behoort Cannadine tot die groep. Hij switcht behendig tussen tijdperken en regio’s, om uiteindelijk te komen tot een rijk boek dat als inleiding kan dienen op de literatuur over zes grote collectieve identiteiten binnen de wereldgeschiedenis – gelukkig zonder zich teveel over te geven aan de nuanceringen waartoe hij zelf oproept.