Knokken tegen een onzichtbare vijand

Don Carpenters debuut uit de jaren zestig schetst een weinig opwekkend beeld van de zelfkant in de Verenigde Staten van de jaren veertig en vijftig. Het verwierf een cultstatus en is nu opnieuw uitgebracht.

Don Carpenter Foto www.doncarpenterpage.com

Sinds het succes van Stoner van John Williams zijn uitgeverijen maar al te graag bereid andere Amerikaanse romans een tweede leven te gunnen, in de hoop dat het wonder zich herhaalt. Zo komt uitgeverij Van Gennep nu met Noodweer, de debuutroman van Don Carpenter (1931-1995).

Het boek verscheen in 1966 als Hard Rain Falling in de Verenigde Staten en verwierf een bescheiden cultreputatie. Carpenter, die zijn geld voornamelijk verdiende met het schrijven van filmscripts, brak nooit door naar een groot publiek en pleegde in 1995 zelfmoord. Zijn debuut kwam een paar geleden opnieuw in de belangstelling toen The New York Review of Books het heruitbracht in hun klassiekenreeks. Een serie met gezag: ook het tweede leven van Stoner begon na een heruitgave in die reeks.

Noodweer is een somber, hard boek over de zelfkant van de Verenigde Staten in jaren veertig en vijftig. Kleine criminelen ontmoeten en bestrijden elkaar in schemerige poolhallen. Centraal staat de jonge Jack Levitt, die opgroeide in een weeshuis en nu zichzelf moet zien te redden. ‘Hij begreep mensen die voor hun brood werkten echt niet,’ lezen we over hem, en dan weten we wel hoe laat het is.

Jack verkent alle aspecten van de zelfkant en komt dus terecht in tuchthuizen en gevangenissen. Het is letterlijk een hopeloos bestaan. Het systeem is meedogenloos en anderen zijn nooit helemaal te vertrouwen. Eén keer komt hij echte liefde tegen, wanneer hij in San Quentin een verhouding krijgt met zijn celmaat Billy, een zwarte biljartvirtuoos die hij nog van vroeger kent. Maar wanneer Billy letterlijk zijn leven voor Jack geeft, is ook die liefde voorbij. Eenmaal op vrije voeten trouwt Jack met Sally, een vrouw uit de betere kringen, maar hoewel Jack zijn best doet iets van dat huwelijk te maken, is ook die verbintenis geen lang leven beschoren.

Noodweer is geen literair meesterwerk, maar wel de moeite waard. Een groot stilist is Carpenter evenmin – taal lijkt voor hem een voertuig voor een verhaal en niet iets wat zelf ook een deel van het verhaal kan vertellen –, maar zijn inzet vergoedt veel. Meestal ligt het perspectief in zijn roman bij Jack of Billy, en soms komt een alwetende verteller aan het woord, vooral in de passages waarin dieper wordt ingegaan op misstanden in weeshuizen en gevangenissen.

Hier krijgt het boek een bijna documentair karakter. Dat stoort niet, omdat je voelt dat Carpenter oprecht probeert zijn lezers inzicht te geven in de wereld waarin mensen als Jack en Billy zich proberen staande te houden. Soms leest Noodweer als een aanklacht. Het is veelzeggend dat veel agenten en rechters zich vriendelijk gedragen tegenover Jack. Juist die menselijkheid toont het onmenselijke van het systeem: wat Jack wordt aangedaan is niet persoonlijk bedoeld.

Wat wél stoort in Noodweer is dat de alwetende verteller ook in andere passages opduikt, en dan opeens commentaar gaat geven op het gedrag van de personages. (‘Het kwam niet bij hem op dat ze zojuist een diefstal hadden gepleegd.’) Op die momenten praat hij over de hoofden van die personages heen tegen de lezers. Dat schept afstand, opeens is het alsof we naar proefdieren kijken en de laborant hun gedrag aan ons uitlegt. Ook in Stoner duiken trouwens dergelijke ‘laborantenzinnen’ op.

Jack is als personage niet al te sympathiek, maar dat je hem tóch mag, komt omdat Carpenter hem heeft uitgerust met het vermogen over zichzelf en zijn situatie na te denken. Hij doet dat nuchter, zonder zelfmedelijden. Aan het eind van de roman benoemt Jack zijn bestaan als een ‘levenslange knokpartij tegen een onzichtbare vijand’. Carpenter lijkt te wil zeggen dat die vijand alomtegenwoordig is: hij zit zowel in Jack als in de buitenwereld. Zo beschouwd gaat Noodweer over de schepping die tegen zichzelf vecht, en daarmee overstijgt de roman het anekdotische en het pamflettistische.

Eind jaren zestig werd deze roman voor het eerst in Nederland uitgebracht, in een vertaling van Riekus Waskowsky. Die vertaling is nu ‘volledig herzien’, maar laat toch nog te wensen over. Zoals vaker bij vertalingen gaat het vooral mis bij de krachttermen: woorden als ‘oen’ en ‘verdikkeme’ passen slecht bij de grimmige personages, om maar te zwijgen van verwensingen als ‘krijg het leplazarus’ en ‘krijg de pestpokken’.