Kabinet moet zich niet laten gijzelen door de Senaat

Kabinetsreconstructies in Nederland zijn schaars. De vaak moeizame totstandkoming van regeringscoalities laat politiek gesproken geen ruimte voor tussentijdse verbouwingen. Als deze al aan de orde zijn, is dit veelal in het kader van een lijmpoging als gevolg van een kabinetscrisis. Met andere woorden: als het reeds te laat is.

Het tweede kabinet-Rutte, steunend op de fracties van VVD en PvdA, dat vorig jaar november aantrad, kampt met een weeffout. Té nonchalant zijn de politieke leiders Rutte en Samsom tijdens de formatiebesprekingen heen gestapt over het gegeven dat hun in aanbouw zijnde coalitie in de Eerste Kamer niet over een meerderheid zou beschikken. Voor het verkrijgen van een meerderheid komen VVD en PvdA in de 75 zetels tellende senaat acht zetels tekort.

De weinig daadkrachtige uitstraling van het huidige kabinet heeft alles te maken met de onzekere factor die de Eerste Kamer vormt. Daardoor staat niet vast of alle voorgenomen bezuinigingen en grote hervormingsplannen ook de Eerste Kamer zullen passeren. Vandaar de haast permanente van staat van vooroverleg van diverse ministers met niet-coalitiefracties aan de zogeheten ‘overzijde’ van de Tweede Kamer.

Staatsrechtelijk gesproken is dit een bizarre situatie. In het tweekamerstelsel speelt de niet rechtstreeks gekozen Eerste Kamer de (ongeschreven) rol van chambre de réflexion, waarbij het bewaken van de kwaliteit van de wetgeving voorop staat. Wetsvoorstellen worden gaandeweg het niet zelden turbulente politieke proces in de Tweede Kamer nogal eens aangepast. Het is een geruststellende gedachte dat vlak voor de eindstreep nog een Eerste Kamer wacht, die wetgeving niet zozeer politiek beoordeelt maar vooral toeziet op coherentie en consistentie. Maar als vooraf ook politieke afspraken met de Eerste Kamer worden gemaakt, is die bijzondere taak van senatoren niet meer dan een wassen neus.

De nervositeit bij de coalitie over het verzekerd zijn van een meerderheid is begrijpelijk. Toch zou het goed zijn als het kabinet zich niet laat gijzelen door de zetelverdeling in de Eerste Kamer en meer vertrouwen heeft in de eigen overtuigingskracht straks in diezelfde senaat. Dat maakt al dan niet serieuze gedachte-experimenten over uitbreiding van de coalitie – het gesprek van de dag gisteren op het Binnenhof – ook overbodig.

Wetgeving, zeker met het ingrijpende karakter die het kabinet voorstaat, is gebaat bij een volwassen parlementaire behandeling. Op voorhand reeds het verlies incalculeren is een zwaktebod. Het kabinet moet het debat met de Eerste Kamer maar gewoon aangaan.