Intussen, bij de hulpgroep Anonieme Literaire Critici

‘Ik ben Arjen en ik ben een literair criticus.’

Welkom Arjen! Wat wil je met ons delen?

‘Nou, eh, ik word geplaagd door gevoelens van opkomende overbodigheid.’

En daar wil je met andere Anonieme Literaire Critici over praten. Daar is de ALC helemaal voor bedoeld.

‘In de Volkskrant stond zaterdag dat wij critici geen gezag meer hebben. Vroeger was een mooie recensie genoeg om een bestseller van een boek te maken, nu doet alleen de televisie ertoe. De Wereld Draait Door geeft alle critici het nakijken.’

En nu kamp je met gevoelens van jaloezie, met Matthijsnijd.

‘Is dat een diagnose? Het klinkt bedreigend.’

Geen zorgen, Arjen. Je bent onder lotgenoten. Wees blij dat je het tijdperk van de Dis-kinnesinne niet hebt meegemaakt.

‘Maar dat was toch de tijd dat een criticus als Kees Fens met één stuk een bestseller kon maken?’

Kees Fens? Een groot criticus, maar die had je hier moeten horen op onze bijeenkomsten. Geen spatje invloed op de verkoop. Noem mij één boek dat hij tot een bestseller heeft gemaakt.

‘Hij vond Op weg naar einde heel mooi.’

Reve? Die zat in 1963 bij ‘Zo is het toevallig ook nog eens een keer’. Die man had meer tv-exposure dan Herman Koch ooit heeft gehad.

‘Maar u beweert toch niet dat Kees Fens ook in een ALC-hulpgroep zat?’

Iedereen is hier geweest. We zijn ouder – en levensvatbaarder – dan het tijdschrift Forum. We zijn in de jaren dertig gesticht door door Menno ter Braak en Victor van Vriesland. Die zaten onophoudelijk te vitten op Dr. P.H. Ritter Jr. van de AVRO – de Matthijs van Nieuwkerk van zijn tijd. Ritter kon op de radio zo een boek naar de tweede druk praten.

‘Wow. Ritter, zei u?’

Critici zijn allemaal verknipt. Eerst gaan ze heel esthetische, kunstzinnige en autonome stukken zitten schrijven over de Kunst en Eeuwigheidswaarde. Omdat ze zichzelf ook zo erudiet en bijzonder vinden. En dan verwachten ze ineens bevestiging van tienduizenden lezers. Dat gaat op een bepaald moment mis, natuurlijk. Fens is ook al vroeg gestopt met het recenseren van Nederlandse literatuur. Hij legde het af tegen de commercialisering, zei hij.

‘Maar ík ben niet verknipt! Verkoopcijfers zijn nu eenmaal niet zo belangrijk voor me. Ik trek me er nooit iets van aan. Het gaat immers om Kunst. Al zal het u niet ontgaan zijn dat Grip van Stephan Enter veertien drukken heeft beleefd. Ik heb daar bij verschijnen heel positief over geschreven. Tja, wat is invloed – ik zeg dit natuurlijk zonder ijdelheid. En het briljante Vader van God van Martin Michael Driessen is ook al aan de drieduizend exemplaren toe. Daar was ik lyrisch over.’

Je was ook een van de eersten die Bonita Avenue van Peter Buwalda besprak.

‘Daar was ik dan weer wat zuiniger over, maar niet elke recensie kan door iedereen goed begrepen worden. Weet u, soms wíllen ze het gewoon niet zien.’

Let een beetje op je ademhaling, Arjen – en kun je weer gaan zitten?

‘Wacht. Is de Bestseller 60 er al? Vorige week stond de biografie van Badr Hari op één. Op de kop af vijf dagen nadat ik er in mijn column over had geschreven. Dat was u natuurlijk ook opgevallen.’

Je hebt nog een lange weg te gaan.

‘Denkt u?’