Het beest in het hart van Henry Ford

Duizenden Joden werkten in de Fordfabriek in Detroit. Toch is er in de geschiedenis geen grotere Amerikaanse antisemiet aan te wijzen dan juist Henry Ford, die in de loop van zijn leven veranderde van een paternalistische fabrikant in een onverlichte despoot.

Henry Ford in november 1927, aan het stuur van zijn eerste mechanische voertuig de Quadricycle. Foto AP

In Henry Ford windt de Amerikaanse biograaf Vincent Curcio er geen doekjes om: op Hitler en misschien Maarten Luther na was de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford (1863-1947) de invloedrijkste antisemiet uit de geschiedenis. In 1920 begon Ford aan een serie virulent antisemitische artikelen in The Dearborn Independent, de krant die hij in 1918 had gekocht. Later werden zijn artikelen gebundeld in The International Jew, een bestseller die in zestien talen werd vertaald. Tot de vele lezers behoorden Hitler en de latere Hitler-Jugendleider Baldur von Schirach. De laatste zou tijdens het Neurenberg-tribunaal verklaren dat hij door Fords boek antisemiet was geworden.

Curcio, die eerder onder meer de biografie schreef van Fords concurrent Chrysler, kan Fords antisemitisme niet goed verklaren. Voor 1920 was Ford niet antisemitischer dan de gemiddelde Amerikaan. In zijn persoonlijke leven had zijn antisemitisme geen gevolgen. In de Fordfabrieken in Detroit werkten duizenden Joden, en zijn buurman, een rabbijn, gaf hij een auto cadeau. Voor zijn Joodse huisarchitect, Albert Kahn, die tientallen fabrieken in Detroit voor hem bouwde, had hij grote bewondering. Curcio suggereert dat hij zijn rabiate antisemitisme ingefluisterd kreeg door zijn privésecretaris Ernst Liebold, een Amerikaan van Duitse afkomst. Maar dat kan hij niet bewijzen, erkent hij. Wel zeker is dat Ford een levenslange hekel had aan bankiers; die waren volgens hem heel vaak Joods. Ford zag hen als parasieten die leefden van ondernemers zoals hij.

Voor zijn Ford-biografie is Curcio niet in archieven gedoken, maar heeft hij gebruikt gemaakt van het ontzaglijke aantal boeken dat over het Ford is geschreven. Net als alle andere Ford-biografieën gaat die van Curcio vooral over zijn werk. Over het persoonlijke leven van de in Dearborn (een dorp bij Detroit) geboren boerenzoon vóór hij 1891 zijn eerste autofabriek begint, is hij kort. Zijn huwelijk met Clara Ala Bryant is over het algemeen goed, schrijft hij. Ook als Clara hem op overspel betrapt en hij, later, op 60-jarige leeftijd een buitenechtelijk kind krijgt, blijft ze bij hem.

Met zijn enige zoon Edsel heeft hij een moeizame verhouding. Anders dan de geheelonthouder en vegetariër Henry Ford hield Edsel Ford van het goede leven dat hij zich als topman van Ford kon permitteren. Met lede ogen zag vader Ford toe hoe zijn zoon grote huizen liet bouwen, in dure auto’s reed, kunst kocht en goede wijn dronk bij het eten.

Met veel vaart en met een goede dosering van technische details beschrijft Curcio hoe Ford pas met zijn derde autofabriek, de Ford Motor Company, in 1903 succes kreeg. Dit kwam doordat hij, anders dan alle toenmalige autofabrikanten, niet een dure auto voor een rijke elite maakte, maar een goedkope én goede auto voor de massa. Die ontwikkelde hij, samen met briljante autobouwers, stapje voor stapje. In 1908 was de auto voor de massa vervolmaakt tot de beroemde T-Ford. Vervolgens begon Ford, alweer samen met begaafde ingenieurs als Charles Sorensen, aan de perfectionering van de productie van de T-Ford. Die mondde in 1913, alweer na jaren van trial and error, ten slotte uit in de assemblagelijn, een versmelting van de lopende band, verregaande arbeidsdeling en elektrische machines, die arbeid reduceerde tot een herhaling van een en dezelfde, simpele handeling.

Voor de bouw van de T-Ford liet Ford Albert Kahn een gigantische fabriek bouwen die de bewondering opriep van Europese architecten als Le Corbusier. Belangrijker nog was dat Ford het dagloon van zijn arbeiders verdubbelde tot vijf dollar en hun werktijd verkortte tot acht uur per dag. Hierdoor konden ook zij in hun vrije tijd rondrijden in een T- Ford. Zo werd hij niet alleen de uitvinder van de volksauto, maar ook van de consumptiemaatschappij.

Maar de messias van het machinetijdperk, bewonderd door Hitler en Stalin, werd een tragische held, zo laat Curcio zien. Het succes steeg de rijkste man van de wereld naar het hoofd: Ford dacht dat hij overal verstand van had en alles alleen kon. Van een paternalistische fabrikant veranderde hij in een onverlichte despoot. Veel van de ingenieurs en ontwerpers aan wie hij zijn succes had te danken, ontsloeg hij. In de jaren dertig gingen zijn fabrieken steeds meer op werkkampen lijken. De lopende banden werden zo snel gezet dat ze ‘Forditis’ veroorzaakten, een combinatie van uitputting en afstomping van het gevoelsleven. En Ford riep een ‘veiligheidsdienst’ in het leven die, compleet met spionnen en knokploegen, een ware terreur in de fabrieken uitoefende.

Ford begon ook aan megalomane ondernemingen. Langs de Tennessee wilde hij in Alabama een lint van idyllische dorpen bouwen en in het Braziliaanse oerwoud begon hij aan Fordlandia, een utopisch stadje voor arbeiders op een rubberplantage. Beide liepen uit op mislukkingen. De utopische dorpen kwamen voort uit zijn onbehagen in de moderne wereld. Hoewel hij zelf een sleutelfiguur van het machinetijdperk was, verafschuwde hij het. Hij had een hekel aan industriesteden als Detroit en het materialisme van de consumptiemaatschappij. Ook van jazz, modernistische kunst en andere culturele uitingen van de roaring twenties gruwde hij. Hij verlangde terug naar het simpele plattelandsleven van zijn jeugd, met de bijbehorende oude normen en waarden.

In het slothoofdstuk probeert Curcio te verklaren hoe Ford modernist én antimodernist kon zijn, de Steve Jobs van zijn tijd én een bekrompen antisemiet. Het lukt hem niet, Ford blijft een raadsel, moet hij erkennen. Maar misschien spelen Fords curieuze opvattingen over goed en kwaad een rol, oppert hij ten slotte. ‘Het kwaad bestaat niet’, zo citeert hij Ford uit een interview in 1936. ‘Alles heeft een doel, een reden van bestaan. [...] Alles wat gebeurt streeft naar het goede, anders zou het niet gebeuren.’ Wellicht ontbrak het Ford aan het vermogen om ‘het beest in het menselijke hart’ te zien, voegt hij eraan toe.

Het beest in zijn hart zag Ford toen hij in 1945 in de filmzaal van een van zijn fabrieken een film over de Duitse concentratiekampen kreeg te zien. Verpletterd verliet hij de zaal. Buiten kreeg hij een beroerte waarvan hij tot zijn dood in 1947 niet meer zou herstellen. Hij leefde nog twee jaar, als een verwarde man.