Hacken voor Obama en het vaderland

In mei, toen de wereld nog niet van Edward Snowden had gehoord, schreef het Amerikaanse blad Businessweek al een artikel over de activiteiten van de inlichtingendienst NSA onder de kop: Hoe de Amerikaanse regering de wereld hackt. Het ging vooral over spionage. De Verenigde Staten verwijten het Chinese leger wel dat het inbreekt in Amerikaanse computersystemen, was de strekking , maar de Amerikanen doen hetzelfde met computersystemen over de hele wereld. Een aardig detail was het bestaan van een bloeiend bedrijf dat hackers opleidt voor de Amerikaanse overheid.

Dankzij de documenten die Snowden heeft gelekt weten we inmiddels aanzienlijk meer over ‘hoe Amerika de wereld hackt’. En dat hacken blijkt veel verder te gaan dan alleen spionage en het massaal verzamelen en opslaan van telefoon- en internetgegevens.

De VS voeren jaarlijks ook honderden offensieve cyberoperaties uit, niet bedoeld om inlichtingen te verzamelen, maar om computerprogramma’s of computers in andere landen te manipuleren, saboteren of vernietigen, of om infrastructuur die door computers wordt aangestuurd kapot te maken. Tot nu toe was alleen bekend dat de VS en Israël in 2010 met zo’n digitale aanvalsactie Iraanse nucleaire centrifuges in de vernieling hadden geholpen. Maar zaterdag berichtte The Washington Post op basis van een door Snowden gelekt document dat de VS in 2011 maar liefst 231 offensieve cyberacties hebben uitgevoerd. Dit soort operaties is veel talrijker en agressiever dan tot nu toe werd aangenomen, schreef de krant. De regering-Obama zwijgt in alle talen over haar geheime arsenaal cyberwapens en de operaties die ze daarmee uitvoert. Ook de zogenoemde Stuxnet-aanval op Iran is nooit toegegeven. Maar nu blijkt uit de gelekte regeringsstukken dat Washington niet schroomt het internet als wapen in te zetten, vooral tegen Rusland, China, Iran en Noord-Korea – landen die op dit vlak vermoedelijk zelf ook actief zijn, of proberen te zijn.

Afgelopen jaren is wel geopperd dat er een stilzwijgende internationale norm zou bestaan, waaronder landen zich onthouden van aanvallen tegen andere landen via internet en computers. De gedachte was dat de meeste landen, misschien niet China maar wel Amerika, economisch zo veel belang hebben bij een vrij en open internet dat zij dat niet in de waagschaal willen stellen door er een slagveld van te maken. En bovendien: als vaststaat dat één land zich digitaal aan het bewapenen is, en ook buitenlandse computernetwerken aanvalt, dan zullen andere landen – voor zover ze niet al bezig waren – vinden dat ze niet achter kunnen blijven. Dan komt de digitale wapenwedloop pas goed op gang.

Maar blijkbaar heeft dat vooruitzicht Obama er niet van weerhouden. Die internationale norm is kennelijk een illusie. Eufemistisch spreken de Amerikaanse inlichtingendiensten van ‘actieve defensie’ en het ‘ontginnen van computernetwerken’ – andermans netwerken wel te verstaan. Een programma dat over de hele wereld 85.000 ‘implantaten’ in computernetwerken heeft binnengesmokkeld om die netwerken onder controle te krijgen, heet ‘GENIE’, Engels voor ‘geest’. Toepasselijk, want de geest is uit de fles. Waarschijnlijk was het onvermijdelijk dat dit zou gebeuren. Maar onheilspellend blijft het.

Juurd Eijsvoogel schrijft iedere vrijdag over internationale kwesties