Geef maar terug die fotorolletjes

Schippers kende zijn vrienden een leven lang. Beiden verloor hij in een jaar. Zijn boek lees je als een requiem.

Op de eerste bladzijde van Voor jou rijdt K. Schippers met zijn vrouw richting Straatsburg. ‘Ik kijk naar een weiland, een bosrand, een paar wegwijzers. Ze zien eruit of ze niet graag worden benoemd.’

Een mooi zinnetje, maar een vreemd zinnetje. Zeker als je Schippers’ klassieke ‘Liefdesgedicht’ in aanmerking neemt: ‘Jij hebt de dingen niet nodig/ om te kunnen zien// De dingen hebben jou nodig/ om gezien te kunnen worden’ En nu willen de dingen niet gezien worden?

Tijdens de autorit gaat het over de bundel die Schippers (1936) aan het samenstellen is. Er ontbreekt nog iets, ‘iets wat een ander ritme geeft... tussen de stukken in’. Ook komen zijn vrienden ‘Henk en Gerard’ even ter sprake. Die zijn ziek, terwijl Schippers juist een tijd naar Brussel moet om college te geven aan filmstudenten.

Dan weet je eigenlijk al genoeg. ‘Henk en Gerard’ zijn de schrijvers G. Brands en J. Bernlef, die een jaar geleden kort na elkaar overleden. Schippers raakte al in zijn tienerjaren met hen bevriend, ze maakten samen het tijdschrift Barbarber en verloren elkaar niet meer uit het oog.

Ziekte en dood van ‘Henk en Gerard’ vormen het verbindende element in Voor jou. Dat boek heeft veel weg van een ‘gewone’ Schippersbundel, met diens hoogst persoonlijke mengvorm van verhaal en essay – maar ook ontkom je er niet aan om het te lezen als een requiem. Niet in anekdotische zin – zo veel kom je niet te weten over de gestorvenen –, maar in de literaire wijze waarop Schippers met omtrekkende bewegingen steeds weer bij zijn vrienden belandt.

Hoe je het ook definieert: Voor jou is een heel mooi heel droevig boek geworden.

Bij Schippers gaat het altijd om rustig kijken, een beetje denken en daar dan iets over opschrijven. Daarbij maakt het niet uit of hij naar de Amsterdamse Zuidas loopt, een oude vrouw bezoekt die als opwindende zestienjarige voor de schilder Balthus poseerde, wanneer een danseres hem haar littekens toont of wanneer hij ’s ochtends op het terras van een strandtent gaat zitten: ‘Er ligt dauw op de grasmat van het tafelvoetbalspel.’ In dat laatste verhaal draait het om licht, een vertrouwd thema.

Zo is er het verhaal ‘Het wonder van Barcelona’ over Jim Jarmusch’ film Down By Law (1986), die Schippers op twee opeenvolgende dagen bekeek in Barcelona. Hij besteedt weinig aandacht aan de drie hoofdfiguren van de film – de pooier Jack, de dj Zack en de Italiaan Roberto (Bengini) die samen in de gevangenis zitten en ontsnappen. Het gaat Schippers niet om de mannen, maar om het licht, zoals dat in zwartwit wordt gevangen door de legendarische cameraman Robbie Müller: ‘Hoe benoem je het licht bij een voorval? Je ziet het onder je ogen gebeuren. Kletsend licht, en even verder, in de armoedigste vertrekken, het licht als pooier, als hoer.’ Even later kijkt hij uit over de stad, die er niet meer hetzelfde uitziet. ‘Het zwart-witte licht, hij kon het uit de bioscoop laten ontsnappen. Daar hangt het over de hele stad.’

Maar licht heeft óók te maken met leegte en dus met afwezigheid – een thema dat zich onherroepelijk vastklinkt aan zijn verdwenen vrienden. Dat is ook het woord dat hij gebruikt, ‘verdwijnen’, voor de momenten waarop ze sterven. De term ‘dood’ vermijdt hij zorgvuldig; hij vervangt die zelfs door zo’n kruisje dat je vaak in rouwadvertenties ziet staan. Voor beiden reist hij terug uit Brussel, Gerard Brandt ziet hij nog de dag voor diens dood, Henk Bernlef verdwijnt voordat Schippers weer in Amsterdam is.

We zijn dan ongeveer halverwege het boek. De essays blijven stukken die in theorie best op zichzelf zouden kunnen staan. Schippers schrijft over het aantekeningenboekje van Marilyn Monroe en over de notities die de operator van de Amsterdamse bioscoop De Hallen in de jaren dertig en veertig maakte over de films die er draaien. Niet over de inhoud, maar over de kwaliteit van de kopieën. Schippers tikt de halve geheimtaal van de man met liefde over: ‘Wrijvingskabeltjes over band langs perforatie. Soms kabels. Licht ingetikt. Doorlopende kabeltjes en krasjes over beeld en band.’ Het staat er op nieuwsgierige Schippers-toon, maar tegelijkertijd is wat hier wordt vastgelegd de langzame slijtage van de band. Het is het verslag van een verdwijning. Zoals ook bioscoop De Hallen afgebroken is. Schippers kwam er als tiener, in de jaren waarin hij vriendschap sloot met Brands en Bernlef.

Zo heeft de schrijver ons ongemerkt naar zijn verdwenen vrienden geleid – zoals rouw een mens steeds naar hetzelfde punt voert. Even later loopt Schippers met twee fotorolletjes in zijn zak de Hema in. Erop staan de kiekjes van de laatste ontmoeting met zijn twee vrienden – het is alsof ze zelf als kaboutertjes in zijn zak zitten. Wanneer blijkt dat ontwikkelen en afdrukken een week zal duren, vraagt hij de rolletjes snel terug. Zo lang wil hij zijn vrienden niet kwijt. Het is een van de mooiste scènes in Voor jou.

Langzaam nemen de verdwenen vrienden steeds meer plaats in. Wanneer hij op een tentoonstelling leest dat een schilderij elders in bruikleen is, verzint hij een tentoonstelling die uitsluitend uit dergelijke bordjes zou bestaan. ‘Echt iets voor Henk’, denkt hij dan. (Die zelf even afwezig is als de uitgeleende schilderijen, denk je er achteraan).

In een stuk over Magritte roept hij het beeld van een doormidden gescheurd bankbiljet op, waar je maar één helft van hebt. Voor jou is zo’n half bankbiljet, dat je constant doet denken aan wat er niet is afgebeeld. En aan wat Schippers niet vertelt. Want Down by Law is een film met mooi licht, maar het is ook een film over drie mannen die vrienden worden in de gevangenis. Ergens in de film tekent Roberto Bengini een raam op de kale celmuur, waarna hij vraagt: ‘Do you say in English: I look at the window or I look through the window’. De drie jongens van Barbarber hadden het zelf kunnen bedenken.

Zo grijpt alles in elkaar in het wonderlijke mengsel van ernst en lichtheid waar Brands, Bernlef en Schippers de Nederlandse letteren op trakteerden. In 1964 werd een foto gemaakt van de drie jonge redacteuren en hun grote held Jan Hanlo. ‘Ernstig kijken ze’, schrijft Schippers bijna een halve eeuw later, ‘dat moet wel, anders houden ze het niet lang vol... ze stikken bijna van het lachen.’