Een grimmige god in een braamstruikje

God is grimmig geworden, in het prachtige tweede deel van Guus Kuijers Bijbel voor Ongelovigen, dat loopt van Mozes tot Simson. In het eerste deel had de Heere ook al onbegrijpelijke trekjes (wat was er nou helemaal mis met het offer van Kaïn?), maar de mensen waren nog partij voor hem. Hij wandelde nog op aarde, vocht zelfs met Jacob. Maar nu is hij een onbegrijpelijke despoot die vanuit een veilige braamstruik Mozes koeioneert en de Egyptenaren slaat met afschuwelijke plagen.

Kuijers belangrijkste verteller is de Egyptische prinses die Mozes in zijn biezen mandje vindt. Haar worsteling met het Hebreeuwse geloof leest als een roman. De god waarin ze omwille van haar zoon is gaan geloven blijkt een barse oorlogsgod die alles oplost met geweld. Haar minnaar wordt de Hebreeuwse guerrillastrijder Mered, medeverantwoordelijk voor de moord op de Egyptische eerstgeborenen, de tiende plaag. Mered wordt de dwaas die zegt: er is geen God. Door zijn ogen zien we de verovering van Kanaän. Als goed soldaat protesteert hij tegen de uitroeiing van de Kanaänieten (‘een slechte strategie!’) maar de godsdienstwaanzinnige legeraanvoerder Jozua zegt slechts: dit is geen strategie, het is Gods woord.

Kuijers navertelling is genadeloos, zijn beheersing van de verhalen superieur, geen bijbels detail blijft onopgemerkt. En ineens zie ik waarom het woord ongelovig in de titel staat. Het is ongeloof over zoveel nodeloos geweld, zoveel ontkenning van liefde.

Op naar deel drie: de wankelheid van koning Saul, de liefdes van koning David. En hopelijk: de heerszuchtige koningin Jezebel.

Hendrik Spiering