Een been in de tuin? Zou best kunnen, er ligt zoveel

Deze zomer maakt nrc.next klein nieuws groot Bijna zeventig jaar na de oorlog is Krabbendijke verdeeld over een been van een gesneuvelde Canadees Graven of laten rusten?

verslaggever

„Als een vaas met bloemen”, zo zetten de jongens het onderbeen met laars op het bureau in het gemeentehuis in Krabbendijke.

Het is oktober 1944, vlak na de bevrijding van Zeeland. Een paar pubers hebben een been gevonden in een kleine tank onderaan de Zuiddijk bij Krabbendijke. De drie Canadezen die erin zaten, zijn op de drempel van de overwinning op een Duitse landmijn gereden. Hun lichamen zijn geborgen door de geallieerden, maar er is een been achtergebleven. Een onderbeen – rechter- of linker, dat weet niemand meer – inclusief laars. Zonder eigenaar.

Het is dát been dat bijna zeventig jaar later de lokale politiek bezighoudt. Het been waarvan de burgemeester zegt dat hij er helemaal klaar mee is. De gemeente gaat er niet naar graven, er ligt geen been.

Is dat wel zo? Wat is daar gebeurd?

Piet Tramper, commandant van de ondergrondse van Krabbendijke, neemt het been in 1944 van de jongens in ontvangst. Hij behoort sinds een paar dagen tot de winnende partij en is daarom in het gemeentehuis ingetrokken.

Maar de Canadezen hebben geen interesse meer in een los been en Tramper z’n Engels is ook niet zo goed. Hij wendt zich tot z’n zwager Bram Koeman, commandant van de ondergrondse in het naburige Waarde. „Bram, ik zit met een probleem.” Koeman suggereert dat het been maar in de tuin van het gemeentehuis begraven moet worden, tot de rust is weergekeerd. Dan kan het daarna worden bijgezet op het oorlogskerkhof. En zo geschiedt.

Dat beweert in ieder geval Jo Koeman, de zoon van commandant Bram. Koeman jr. zit in zijn achtertuin, een oude NAVO-basis bij Kruiningen, waar na de oorlog twintig miljoen liter olie is opgeslagen. Nu heeft hij op het terrein vier siervijvers gegraven. „Ik heb later nog weleens gevraagd: is dat been opgeruimd? Maar volgens mij is dat niet gebeurd.”

En nu, anno 2013, willen opeens allerlei mensen weten: ligt er achter het gemeentehuis eigenlijk een been?

Die interesse is door Jo Koeman zelf gewekt. Die rakelde dit voorjaar in zijn wekelijkse column in Het Advertentieblad Reimerswaal het verhaal nog eens op. Waarop Marien Weststrate, de geruchtmakende lijsttrekker van Leefbaar Reimerswaal, stante pede eiste dat de kwestie-been tot op de bodem werd uitgezocht. Wat vervolgens weer in de regionale krant PZC kwam.

Weststrate vond het verhaal in Het Advertentieblad „onterend en onsmakelijk” zei hij in een brief aan de burgemeester. Aan de telefoon: „Stel de Canadees leeft nog, dan wil hij dat toch weten? Ik hoorde weleens van een Canadees met één been, dat hij hier heeft verloren. Dit zijn menselijke resten, daar moet je met respect mee omgaan.”

Moet er gegraven worden?

„Als daar aanleiding toe is wel, ja.”

We kijken vanaf het balkon uit over de achtertuin van het oude gemeentehuis van Krabbendijke waar dan gegraven zou moeten worden. Daar woont nu Jan Weststrate (geen familie van Marien) met zijn vrouw. Het is een enorme achtertuin, inmiddels eigendom van de aanpalende drukkerij die er twee gebouwtjes op heeft gezet. Dezelfde drukkerij die het Advertentieblad Reimerswaal met het beenverhaal afdrukte. Het onkruid staat metershoog.

Dat er een been in z’n tuin zou liggen, deert Weststrate niet. Wie weet wat er allemaal nog meer ligt na de oorlog en na de Watersnoodramp in 1953? Maar hij kan zich wel voorstellen dat een Canadese familie opheldering wil. Er is per slot van rekening nog volop contact tussen het dorp en de veteranen of nabestaanden. „Het been is nooit geïdentificeerd. Straks eist een familie DNA-onderzoek en moet je hier gaan graven! Kost een hoop geld, daar zit niemand op te wachten.”

De gemeente Reimerswaal zéker niet. Na de vragen van fractievoorzitter Weststrate is de gemeente op archiefonderzoek uitgegaan. In de dossiers vonden ze geen aanleiding tot opgravingen. Niks over een been, niks over een tuin, zegt een woordvoerder. „Nada, noppes, nul komma nul”, zegt de burgemeester in de PZC. „Allicht”, zegt Jo Koeman, „er zijn sowieso nauwelijks dingen van de ondergrondse opgeschreven”.

Maar dat been was er wel degelijk, zegt de oude Jan Cusee uit Nieuwvliet aan de telefoon. Hij stuitte als dertienjarige jongen op die ontplofte tank bij de Zuiddijk, die „op z’n kop bij de sloot stond”. Een vriendje vond het been en „samen hebben we het afgeleverd bij het gemeentehuis”. Hij weet het nog goed. Wat er daarna mee is gebeurd, weet hij niet.

Het voorval staat dan wel niet in de dorpsarchieven, bronnen zijn er wel degelijk. Niet alleen Jo Koemans eigen boekje Waarde tijdens de Tweede Wereldoorlog rept erover. Ook het boekje Krabbendijke in Oorlogsjaren 1940-1945 van Minus Goud en Ina Paauwe-Dees maakt er melding van.

„We hebben van mensen die er nadien als eersten bij waren gehoord dat er een schoen klem zat met de voet er nog in”, staat er. Plus de namen van de drie gesneuvelde Canadezen uit de kleine tank: S.H.V. Webber, J.H. Fraser en Corporal N. Armitage, alle drie van de Royal Canadian Corps of Signals. En alle drie liggen ze op de militaire begraafplaats van Bergen op Zoom, twintig kilometer verderop.

Dat maakt het vermeende verloren been een stuk minder anoniem. De kans dat één van de families opheldering wil is natuurlijk klein, maar niet helemaal uitgesloten. In 2000 nog ontving de gemeente een brief van de moeder van één van de drie gesneuvelden. Daarna is haar schoonzoon vanuit Canada afgereisd naar Zeeland om de plek des onheils en het graf te bezoeken. De moeder schreef na het bezoek dat ze heel blij was dat ze eindelijk wist dat haar zoon een eervolle begrafenis had gekregen. Misschien willen deze families nog meer weten.

Jo Koeman vindt helemaal niet dat er per se moet worden gegraven, wie heeft daar nu wat aan? Maar een eervolle begrafenis, daar is het Marien Weststrate wel om te doen. Ook van een los been. Maar, moeilijke kwestie, moet dan het been worden opgegraven of juist de drie gesneuvelden? Of allebei? En wie gaat dat doen? De burgemeester wil maar een ding: zand erover.