De eerste keer

‘Scheids! Nee joh! Dat kan toch helemaal niet?” De ontstemde spits pakt de bal in zijn handen en slingert het ding als een waardeloos geworden object over de omheining.

De eerste keer vergeet je niet meer. Mijn eerste zoen bijvoorbeeld, zo lang geleden al op het grote plein voor de megabioscoop. Onze tongen waren zomaar ineens begonnen, maar hoe werkte dat stoppen eigenlijk? Even was ik bang dat we nooit meer los van elkaar zouden geraken. Mijn eerste biertje weet ik ook nog, op dat feestje van de dikste jongen van de klas. Het smaakte vreemd, bitter, ronduit smerig. Ik nam meteen m’n tweede.

En nu, tijdens mijn officiële ontgroening, vijf minuten voor tijd bij een 2-1 tussenstand, is het moment weer daar. „Scheidsie, dat is toch niet nodig?” De aanvoerder staat voor me. „Het is toch een sportief potje?”

Ik antwoord niet. Met mijn rechterhand peuter ik aan het klittenband van mijn linkerborstzak, als een zenuwachtige puber die met de sluiting van een beha loopt te klooien. De eerste keer. Nooit eenvoudig. „Je hebt gelijk hoor, scheids”, gaat de aanvoerder verder. „Die bal moet-ie natuurlijk niet weggooien. Maar het was toch geen buitenspel?”

„Ik zag het anders”, zeg ik om een zinloze discussie in de kiem te smoren. De aanvoerder staakt zijn geklaag en loopt hoofdschuddend weg. Hè hè. Het klittenband is los, mijn vingers tasten in het zakje.

Iedere scheidsrechter doet het op zijn eigen manier. Je hebt de snelle en de langzame trekkers, de borstzak- en de broekzaktrekkers, de boze en de zelfgenoegzame trekkers. Ik ben nog maar een beginneling; ik heb nog geen methode ontwikkeld die het beste bij me past.

„Komt er nog wat van, scheids?” De verdedigende partij heeft haast, logisch ook. Het is bijna tijd en de gelijkmaker hangt in de lucht. Met een schuin oog kijk ik naar beneden. Had ik ze nou allebei in deze zak gestopt, of zit die andere achter in m’n broek? Als ik de verkeerde pak, sla ik een modderfiguur. Hebbes. Mijn duim en wijsvinger klemmen zich om de juiste kleur, en in een redelijk soepele beweging trek ik voor de allereerste keer ooit het knalgele karton tevoorschijn.

„Nummer negen!”, roep ik. De spits draait zich om. Hij kijkt me enigszins meewarig aan, terwijl ik de kaart met een ferm gebaar de lucht in steek en voor zijn neus hou. „Geel”, zeg ik er zonder dat ik het wil bij.

„Dat zie ik”, zegt de spits.

Spelers om ons heen beginnen een beetje te lachen, ik doe alsof ik het niet merk. Dit was mijn eerste keer. Het kan eigenlijk alleen nog maar beter gaan.