Tennis is hier geen sport voor mannen

Waar blijft de tijd van Connors en McEnroe? De Amerikaanse tennissers zijn naar de mondiale middenmoot afgegleden. Deze generatie mist weerstand en tegenstand.

Foto ANP

Heeft John Isner toch nog de eer van het Amerikaanse mannentennis gered. Het 28-jarige servicekanon verloor deze week in de derde ronde van de US Open weliswaar van de Duitser Philipp Kohlschreiber, maar hij baarde opzien met de mededeling dat hij bijna drie centimeter langer is dan z’n officiële biografie aangeeft: 2.08 meter in plaats van 2.05 meter. Daarmee staat hij op een gedeelde eerste plaats, naast de Kroaat Ivo Karlovic, op de ranglijst van de langste mannen in het proftennis.

De unieke groeistuip van Isner vormde het laatste wapenfeit van de Amerikaanse mannen tijdens de US Open van 2013. Voor het eerst sinds 1881 drong geen enkele Amerikaan in New York door tot de vierde ronde. Slechts drie spelers haalden de derde ronde; behalve Isner verloren Tim Smyczek en Jack Sock van weinig inspirerende tegenstanders.

Géén toeval; eerder dit jaar presteerden de Amerikanen al net zo slecht op de grandslamtoernooien in Melbourne, Parijs en Londen. De laatste Amerikaan die een slam won was Andy Roddick, in 2003. Roddick, ooit voorbestemd in de voetsporen te treden van Arthur Ashe, Jimmy Connors, John McEnroe, Pete Sampras en Andre Agassi, heeft de verwachtingen nooit waargemaakt. Ook al was hij dertien weken nummer één van de wereld – vóór het tijdperk Federer.

Volgens de 61-jarige Connors, die eerder dit jaar van zich deed spreken met de publicatie van z’n memoires The Outsider en zijn 34 dagen (één wedstrijd) durende trainerschap van de Russin Maria Sjarapova, was dat te wijten aan zijn gebrekkige wedstrijdmentaliteit. Roddick was briljant op trainingen, geen toernooitijger. Hij miste de mentaliteit die Andy Murray, winnaar van de vorige US Open en dit jaar van Wimbledon, wél heeft.

Connors: „Het gaat niet alleen om tennis. Op dat niveau speelt iedereen geweldig. Daarna komt het erop aan wat je investeert, wat voor verwachtingspatroon je hebt en of je tot de bodem wilt gaan.” Murray investeerde in coach en oud-topspeler Ivan Lendl. Connors, die Roddick trainde van 2006 tot 2008, constateerde een gebrek aan „honger” bij zijn pupil en gaf er na twee jaar de brui aan.

Connors was volgens McEnroe (in zijn memoires You Cannot Be Serious uit 2002 „krankzinnig competitief”. In een recent interview in The New York Times roemde McEnroe zijn grote tegenstander eindjaren 70 en beginjaren 80 als „de ultieme vechter”. McEnroe, die als tv-commentator dezelfde kwaliteit levert als destijds op de baan, zei in het interview dat hij „niet snel uit eten zal gaan” met Connors, maar dat „ze elkaar respecteren”. Hun strijd, die meer weg had van een oorlog, maakte van hen „betere spelers”. Juist dat ontbreekt eraan bij de huidige generatie Amerikaanse spelers, aldus McEnroe deze week als commentator: „Ze spelen niet genoeg tegen elkaar. Er zijn niet genoeg toernooien op Amerikaanse bodem.”

Daarbij blijft het niet. Connors en McEnroe wisten in de jaren zeventig van tennis een activiteit te maken die zich in populariteit kon meten met typisch Amerikaanse (volks)sporten als honkbal, football en basketbal. Maar dat gouden tijdperk van het Amerikaanse (elite)tennis is al lang voorbij. Tennis is geen machosport meer. De reclamespotjes tijdens de uitzendingen van de US Open zijn veelzeggend: bedrijven brengen hun producten aan de man door ze te koppelen aan het footballseizoen, dat dit weekend begint. Football is zo populair, dat het zelfs in de seizoensvoorbereiding de US Open heeft verdreven naar marginale zenders als het tenniskanaal en ESPN 2. CBS zendt in de weekenden uit. De beste Amerikaanse sporters bedenken zich volgens McEnroe wel twee keer voordat ze gaan tennissen.

Hoe kan tennis weer populair worden? McEnroe, een zelfverklaarde „verwende vlegel”, betreurt het verdwijnen van persoonlijkheden in de huidige tennistop, met de Serviër Novak Djokovic volgens hem als gunstige uitzondering. Connors en hij waren slopers, rebellen: ze tartten het establishment, hadden lak aan regels, verlegden grenzen met hun onbeschofte gedrag, bezochten nachtclubs en disco’s. McEnroe gebruikte drugs, en dan niet „het soort dat prestaties bevordert”, zoals hij onlangs zei: „Dat [gebruik van partydrugs) behoort tot het verleden. Nu persen ze het uiterste uit hun optredens. Een grap maken is er niet meer bij. Dit is een ander tijdperk. Er gaat heel veel geld in om.”

Toppers als Murray, Djokovic en de Spanjaard Rafael Nadal reizen van toernooi naar toernooi met een trainer, fysiotherapeut, kok, masseur, vriendin en naaste familie. McEnroe: „Ze leven in een cocon. Ongelooflijk dat ze het volhouden. Ze zijn volledig gefocust op wat ze doen.”

Een goede coach helpt. Murray heeft Lendl, Nadal oom Toni, Djokovic ‘team Djokovic’. Amerikaanse toppers uit het verleden, van Ashe tot en met Agassi, hadden een trainer, maar ze bepaalden zelf hun strategie. Connors en McEnroe betreuren het dat kracht, uithoudingsvermogen en concentratie de doorslag geven. Connors noemt het moderne tennis met nauw verholen minachting „eendimensionaal”, volgens McEnroe wint niet langer de beste tennisser maar de beste atleet: „Tennis was als schaken. Nu kunnen krachtpatsers uit alle hoeken van het veld toeslaan. Dat is waarschijnlijk de grootste verandering in de sport.”