Succesvol ondernemende instellingen zwijgen

Het Mauritshuis wist het zeker: Vermeers Meisje met de parel was te mooi, kwetsbaar en kostbaar om te reizen. Na overleg op regeringsniveau met Japan moest toenmalig premier Wim Kok eraan te pas komen om het museum op een andere gedachte te brengen.

Inmiddels hoeft dat niet meer. Het Mauritshuis laat de eigen collectie graag reizen. Vermeers meisje en andere topstukken maken al maanden een tour over de wereld. Ze waren eerst in Japan, nu in Amerika, straks Italië.

Het museum vertelt waarom: omdat het geld oplevert. Dat komt goed van pas, want het museum ondergaat momenteel een grote en kostbare verbouwing. De reizen van het meisje met de parel passen in een wereldwijde trend. Ging het uitlenen van schilderijen ooit voornamelijk met gesloten beurzen (wie goed doet, goed ontmoet) tegenwoordig wordt er betaald. Begrijpelijk ook: de tentoonstelling Masterpieces from the Mauritshuis in Tokio was wereldwijd de best bezochte tentoonstelling van 2012. Waarom zou de kaartjesopbrengst geheel in Japan blijven?

Het Mauritshuis doet wat de politiek wil, het stelt zich op als cultureel ondernemer. En het is niet alleen. Wereldwijd kapitaliseert de bruikleenmarkt zich in razend tempo.

Dat is goed nieuws voor musea met hooggewaardeerde collecties, als het Rijks, het Van Gogh en Mauritshuis. Kleinere musea grommen: zij moeten wel betalen, maar kunnen weinig kelderwerk verzilveren. Opvallend genoeg waren zij wel de pioniers in Nederland. Zo haalde het Groninger Museum al in 2001 werken van de Rus Repin naar Nederland met geld van de Gasunie. Ook de Nieuwe Kerk begon al in de jaren negentig met het kopen van rondreizende exposities.

Inmiddels is de handelsbalans positief: Nederlandse musea halen meer geld op met het ‘uitlenen’ van hun kunst (beter: verhuren) dan met het huren ervan. En het einde is nog niet in zicht. De groeiende middenklasse in opkomende economieën als Brazilië hunkeren naar kunst, zoals blijkt uit de razendsnel stijgende bezoekersaantallen van hun musea. Het Van Goghmuseum werkt nu aan een lucratieve tournee in China.

Het biedt hoop; de kapitalisering van oude herenakkoorden zou wel eens goed kunnen uitpakken voor het Nederlandse museumwezen. Maar waarom doen musea dan zo schichtig als hen wordt gevraagd hoeveel ze precies verdienen aan verhuur van eigen werk? Bij het Mauritshuis is het niet moeilijk na te gaan: uit het jaarverslag blijkt dat de ‘overige inkomsten’ in één jaar tijd van 2,3 miljoen euro zijn gestegen naar 6,8. Toch wil de instelling, gevraagd naar die stijging, niets concreets loslaten over de internationale deals.

Raar, want geld verdienen is toch goed ondernemerschap? En is dat niet precies waar Den Haag om vraagt?

Zeker, maar schichtigheid is ook begrijpelijk. Want juist nu culturele topinstellingen enigszins zijn ontzien bij de bezuinigingen, kan bedrijfsmatig opscheppen slapende honden wakker maken. Kunt u het zelf rooien? Interessant. En waarom krijgt u dan eigenlijk zoveel overheidshulp?

En zo laat de bloei van de bruikleenmarkt een opvallend aspect zien van de exceptionele economie van de kunst: een ondernemende subsidiënt schept nooit op over zakelijke successen.