Schoolse slag

Een van de weinige zekerheden die we in Nederland nog hadden, dreigt ons nu ook te ontvallen: de schoolslag. De nationale zwembond komt volgend jaar met een eigen zwemopleiding, waarbij niet langer de schoolslag, maar de borst- en rugcrawl uitgangspunt zijn. Volgens de zwembond is de schoolslag veel te ingewikkeld voor kinderen. Andere landen gingen ons al voor.

Als de zwembond zijn zin krijgt, is dat een klap voor de oudere generaties die het nog van de schoolslag moeten hebben. Zij bewegen zich voortaan als een potsierlijk anachronisme door het zwemwater, ploeterend met die rare, ingewikkelde kikkermotoriek, en voortdurend ingehaald door de patsers met de crawl. Een huiveringwekkend vooruitzicht.

De schoolslag is nooit een erg sexy slag geweest, het was meer iets voor mensen die ook op het droge, in het gewone leven, moeite hadden om het hoofd boven water te houden. Als jongen merkte ik al snel dat je met de schoolslag geen interesse bij de meisjes wekte. Je legde het voortdurend af tegen de jongens in een te nauw zwembroekje, die na een woeste duik snuivend bovenkwamen en dan met maaiende armen naar de overkant ploegden. Gelukkig waren er maar weinigen die dat goed konden.

Ik was te lui om er les in te nemen. Met mijn zwemdiploma-A was ik al dik tevreden. Daarvoor moest je, naast de schoolslag, een halfslachtig soort rugslag leren, waarbij je alleen je benen mocht gebruiken. Je trapte je ruggelings door het water alsof je vanaf je middenrif verlamd was. Wie toch zijn armen naar achteren gooide, werd naar de kant gecommandeerd; de rugcrawl was alleen voor specialisten. Zó moest het. Waarom? Dat werd er in die jaren nooit bij gezegd. Je deed wat je werd opgedragen, ook al lag je er in het water zieltogend bij.

Om me een houding te geven ging ik vaak ‘drijven’, de enige techniek die ik in dat smerige chloorwater met plezier geleerd heb en nog vaak toepas, zowel in als buiten het water. Wie drijft doet net alsof hij aan de wereld deelneemt, maar intussen denkt hij er het zijne van. Met enige overdrijving (sorry!) kun je het een uiterst particuliere variant van het zenboeddhisme noemen. Al drijvend is mij duidelijk geworden dat de mensheid grosso modo bestaat uit schoolslagzwemmers en borstcrawlzwemmers, en dat de laatste categorie doorgaans beter de aandacht op zich weet te vestigen dan de eerste.

De schoolslag is vooral een schoolse slag. Ik heb de schoolslag nog geleerd in de jaren dat je je hoofd(je) krampachtig boven het water moest houden met een nek die langzaam verstijfde. Later, toen ik het chloor al was ontvlucht, zag ik sportievere varianten waarbij men het gezicht in het water begroef. Dat was beter, maar het bleef – en blijft – de schoolslag. Ik heb daarom wel begrip voor de beslissing van de zwembond. Als de kinderen door de borstcrawl eerder vermoeid raken en daardoor toch nog verdrinken, merken we dat vanzelf. De voorzitter van het Nationaal Platform Zwembaden wijst op dat gevaar, hij noemt de plannen van de zwembond zelfs ‘betreurenswaardig’.

Daarmee hebben we in Nederland een nieuw spanningsveld tussen deskundigen op een bepaald gebied. We hadden al de economen, onderwijskundigen, islamkenners, psychiaters en voetbalanalisten die diametraal tegenover elkaar staan. Dit jaar zijn er de schaliegasprofeten en nu dus ook de zwemtrainers bijgekomen.

Voorlopig blijven we drijven.

Frits Abrahams