Column

Marcel Prijsvechters

Ik had nog niet vaak met een prijsvechter gevlogen en ik keek er ook niet naar uit. De vlucht naar Pisa vertrok vanaf Eindhoven Airport waardoor de reistijd feitelijk verdubbelde. De enorme rij voor de incheckbalie voldeed aan de verwachtingen.

Er was nul hulp en geen clementie.

Twee van ons die vergeten waren om thuis de tickets uit te printen hadden het zwaar. Evenals degenen met iets te grote of te zware koffers. In dat soort gevallen zijn ze heel makkelijk: bijbetalen of niet meevliegen. Klagen heeft geen zin, daarvoor is te weinig personeel aanwezig. Je kunt natuurlijk wel gaan schelden, zoals dat stel zonder printer, maar dan krijg je met de enorme hoeveelheid mensen achter je te maken die ook allemaal heel weinig betaald hebben voor nul service, maar wel graag willen inchecken.

De ontmenselijking ging in zo’n tempo dat van een verwachtingspatroon überhaupt geen sprake meer was. Je hoopt dat je aankomt en je weet dat dat het maximaal haalbare is. Na een kwartier met ongeveer tweehonderd stuks in een glazen hok trok een medewerkster een lint omhoog. We werden een voor een gescand en losgelaten op de landingsbaan, waarna een run op het vliegtuig volgde. Er waren geen vaste zitplaatsen. Maar wat deed het ertoe? Alle stoelen zaten slecht, alleen kinderen en lilliputters hadden beenruimte.

Ik kwam naast een stel uit Gemert dat een paar maanden geleden ‘gewoon maar wat’ geboekt had.

Pisa, of daar de zon scheen?

Zij wist dat er een scheve toren stond, hij at graag pizza.

Een kinderhand is snel gevuld.

Onderweg bestelden ze een lunchbox bij de stewardess in de geel-blauwe bedrijfskleding. Ze kregen een kartonnen doosje ter grote van een handpalm waarin ze voor zes euro vijftig een mini-Marsje, twee crackertjes en een kuipje smeerkaas vonden.

De geel-blauwe stewardess wenste ze ‘bon appetit’, ik vond dat grappig.

Als ik hier onwel word zal ik moeten betalen voor een slokje water, besefte ik. Dat je niet hoefde te betalen voor het toilet beschouwde ik als een meevaller. Dat er een toilet was eigenlijk ook.

Na de schokkerige landing klonk een trompet, het melodietje kende ik uit voetbalstadions waar het meestal wordt gevolgd door de kreet ‘aanvallen’. Er werd ons verteld dat we op tijd waren aangekomen. Daarvoor werd geklapt.

Na het verlaten van het vliegtuig werden we geteld door een mevrouw met een ‘teller’. Als er een passagier passeerde drukte ze op een knopje.

„Miranda 178 stuks”, meldde ze vijf minuten later in haar walkietalkie.

Miranda, schijnbaar nog aan boord, kaatste terug met ‘clean’.

De kist kon opnieuw gevuld.

Opstijgen, landen en dan maar hopen dat er onderweg nog wat mensen veel te veel voor een lunchboxje of een flesje water wilden betalen. Niets gratis, ook geen glimlach. Geen service is gewoon heel duidelijk, heb je ook geen klantenservice meer nodig.