Iedere keer weer een eendagsvlieg

The Four Seasons was een band die ondanks vele hits nooit echt beroemd werd. Tot de musical Jersey Boys over hen werd gemaakt.

The Four Seasons in 1963. Van bovenaf met de klok mee: Nick Massi, Tommy DeVito, Frankie Valli en Bob Gaudio. Foto Getty Images

Voor jongens uit Newark, New Jersey – pakweg tien mijl ten westen van New York – waren er maar drie manieren om aan hun afkomst te ontsnappen. In de musical Jersey Boys somt Tommy DeVito de opties al in de eerste acte op: „Je kon in het leger gaan. Je kon bij de maffia gaan. Of je kon een ster worden.” En hem lukte dat laatste, al had het in zijn geval misschien net zo gemakkelijk de tweede mogelijkheid kunnen worden. In de clubs en bars van New Jersey, waar zangers als hij hun emplooi hoopten te vinden, lag de maffia immers altijd op de loer. Ze konden je geld lenen, zodat je onvermijdelijk in hun verstikkende greep zou belanden, en voorts waren ze tegen betaling graag bereid je te beschermen tegen hun eigen maffiose machtsmiddelen.

Tommy DeVito bestaat echt. Net als Frankie Valli, Nick Massi en Bob Gaudio, met wie hij vanaf 1961 de hoogst populaire zanggroep The Four Seasons vormde. Hun hits zijn stuk voor stuk popklassiekers geworden: Sherry, Walk like a man, Big girls don’t cry, Rag doll, Oh wat a night en vele andere. Waarna Valli – de man wiens falsetto zelfs boven de trompetten uit tot in de stratosfeer reikte – ook nog solosuccessen boekte met Can’t take my eyes off you en Grease. Zelden is er een groep geweest die zo veel hits maakte en desondanks zo weinig blijvende roem heeft geoogst.

Pas nu in Jersey Boys hun verhaal wordt verteld, krijgen The Four Seasons alsnog de erkenning die er eigenlijk allang had moeten zijn. Het succes is overtuigend genoeg: op Broadway wordt de show nu al bijna acht jaar lang avond aan avond gespeeld en in Londen al ruim vijf jaar. Zo veel publiek hebben The Four Seasons zelf nooit getrokken.

Maar een groot risico was deze productie wel. Toen de originele Broadway-versie in november 2005 in première ging, waren er in de voorverkoop nog bijna geen kaartjes verkocht. Het uitmelken van oude hits in een nieuwe theatercontext stond als genre in een slecht daglicht. Mama Mia!, waarin de hits van Abba in een geheel nieuw verhaaltje bleken te passen, was weliswaar een internationaal kassucces, maar tegelijk een uitzondering. Eerder in datzelfde jaar waren op Broadway de musical Good Vibrations, met nummers van The Beach Boys, en een biografische musical over John Lennon met veel misbaar geflopt. En nu dus een musical over – ja, over wie eigenlijk? Er bestond in die dagen nauwelijks literatuur over The Four Seasons, bijna niemand wist meer wie ze waren en waar ze ooit vandaan waren gekomen.

Maar hoe konden ze zo snel worden vergeten? Haal op YouTube de authentieke tv-opnamen uit hun gloriejaren te voorschijn en zie hoe dat eruitzag. Hoe ze daar stonden in zwarte herenkostuums met witte overhemden en vlinderdasjes, coltruien of stropdassen. Nogal statisch ook; visueel viel er vrijwel niets aan te beleven. Het waren de songs, met hun concieze maximumlengte van twee minuten en 45 seconden, die het moesten doen. De pakkende combinatie van eenvoudige rockritmiek en harmonieuze doowopkoortjes met Valli’s hoog opvliegende kopstem maakte hun nummers onmiddellijk meezingbaar.

Zelf oogden de zangers eerder als dikke dertigers dan als de andere tienersterren die destijds de toon aangaven. Hun idool was Frank Sinatra, niet Elvis Presley. Hun haar was kortgeknipt boven de oren, hun schoenen glommen. En toen popgroepen als de Beatles en de Rolling Stones halverwege de jaren zestig ook in Amerika oppermachtig werden, kwamen daar nog twee andere grote verschillen bij. De schijn van engagement en rebellie die deze nieuwe rockgeneratie met zich meebracht, ontbrak bij The Four Seasons te enen male.

„Wij waren geen maatschappelijke beweging, zoals de Beatles”, zegt de Bob Gaudio-figuur in de musical. „Onze fans droegen geen bloemen in hun haar en probeerden niet het Pentagon te laten zweven.” Ze hadden nauwelijks een eigen aanhang, beaamt de echte Gaudio, die bijna alle nummers componeerde, in het boek Jersey Boys van de journalist David Cote: „Wij hadden geen massa’s mensen bij de artiesteningang staan, zoals de Beatles. Wij waren altijd zo goed als onze laatste plaat.”

Bovendien waren The Four Seasons nooit een echte, hechte band die zelf de instrumenten bespeelde. In feite waren ze vier zangers die zich lieten begeleiden door ingehuurde studio- of podiummuzikanten.

Het is een opmerkelijke paradox: bij elke nieuwe plaat waren The Four Seasons eendagsvliegen – en dat verschijnsel herhaalde zich keer op keer.

Toen ze hun eerste hits maakten, moest hun afkomst nog wat verdoezeld worden. Hoewel hun achternamen herkenbaar Italiaans waren, poseerden ze als all American boys die – net als de vele honderden vocal groups die hen voorgingen – hun samenzang hadden geoefend op straathoeken, onder lantaarnpalen, of in gymnastieklokalen. Pas nu de musical Jersey Boys hun ware verhaal vertelt, komen ook de momenten in beeld waarop ze zich ternauwernood wisten los te maken uit de omstrengeling van de maffia, en uit de onvermijdelijke houdgreep van seks en drugs. Daar was in hun situatie geen ontkomen aan. „We waren geen heiligen”, concludeert Nick Massi in de musical. „Verkoop maar eens honderd miljoen platen – en kijk dan hoe jij daarmee omgaat.”

De Nederlandse versie van Jersey Boys (dialogen in het Nederlands, songs in het Engels) gaat 22/9 in première in het Beatrixtheater in Utrecht en blijft daar voor onbepaalde tijd. Inl: musicals.nl