Het spookdiertje

Bibi Dumon Tak (tekst) en Fleur van der Weel storten zich nu op nachtdieren, na de gewone dieren in Bibi’s doodgewone dierenboek.

Spookdiertje: fluitketelgeluid Illustratie Fleur van der Weel

Huuuhuuu! ’s Nachts worden de spookdiertjes wakker, je weet wel, die halfaapjes met ogen als gloeilampen die onbeweeglijk in hun gezichtjes staan. Alsof ze je hypnotiseren. Alsof ze zeggen: jij bent in mijn macht, jij gaat nu vette spinnen voor mij zoeken, en lekkere larven voor toe.

Huuuhuuu!

Spookdiertjes kunnen hun ogen niet bewegen. Ze kunnen er niet mee rollen zoals wij. Daarom is hun nek heel soepel. Komt er een vijand van achteren aangeslopen dan draaien ze hun kop achterstevoren om te zien wie hen belaagt. Maar ja hoe weten ze nu dat er een vijand is? Nou?

Een onderzoekster merkte op dat spookdiertjes om de haverklap hun bekjes openden zonder geluid te maken. Waarom deden ze dat toch? Gaapten ze? Waren ze moe van de nacht? Wilden ze iets zeggen, maar bedachten ze zich?

Op een avond ging die onderzoekster op pad met een microfoon waarmee je zeer hoge tonen kunt opvangen, ultrasone tonen die ook vleermuizen maken. En wat denk je? Plotseling was de nacht gevuld met een geluid dat ze niet kende. Alsof er tientallen fluitketels stonden te fluiten, maar die heb je in de jungle niet. Het waren spookdiertjes die met elkaar praatten. En wat ze zeiden?

„Kijk uit! Een slang.”

„Waar?”

„Schuin boven je.”

„Bedankt, man!”

Dus: ben jij bang voor spinnen onder je bed. Neem dan een paar spookdiertjes in huis. Ze kletsen je de oren van je kop zonder dat je er last van hebt.

Voordeel: ze vangen de spinnen onder je bed.

Nadeel: als ze je waarschuwen voor een echt spook dan ben jij de laatste die het hoort.