Het imago van zwakke school blijft lang hangen

In de hoofdstad zijn Cito-gegevens al openbaar. Toch zijn er ook daar bedenkingen, want alleen Cito-scores zeggen te weinig.

Het openbaar maken van Cito-scores is niets nieuws in Amsterdam. Dat gebeurt daar al bijna drie jaar. De gemeente publiceert elk jaar de zogenoemde ‘Kwaliteitswijzer’, een brochure waarin van alle 211 basisscholen in de stad een groot aantal gegevens staan: de leerlingenaantallen, het oordeel van de onderwijsinspectie, het aantal leerlingen met een achterstand, welk schooladvies de kinderen krijgen én de Cito-gegevens.

Toenmalig onderwijswethouder Lodewijk Asscher introduceerde de kwaliteitswijzer om ouders te helpen bij het uitzoeken van een school en om zwakke scholen aan te zetten tot kwaliteitsverbetering. Met resultaat: in 2011 telde Amsterdam 19 zwakke basisscholen en één zeer zwakke school, nu zijn er nog maar drie zwakke basisscholen en waren twee scholen zeer zwak.

De sterke afname van het aantal zwakke scholen komt niet alleen door de toegenomen concurrentie tussen scholen door de kwaliteitswijzer. De wethouder kwam ook met geld over de brug voor de scholen met het predicaat ‘zwak’ of ‘zeer zwak’: 38 miljoen euro. De schoolbesturen zelf legden gezamenlijk 10 miljoen euro bij. Docenten kregen zo bijscholing en consultants werden ingeschakeld om de zwakke scholen te adviseren.

In ruil voor die financiële steun eiste Asscher ook transparantie van de scholen over hun prestaties. Daar hebben de ouders recht op, vond hij. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Vooral zwakke scholen waren bang voor een slecht imago. De kritiek was ook dat kale cijfers alleen niet genoeg zeggen over het pedagogisch klimaat op een school; of er bijvoorbeeld muziek- of dansles wordt gegeven.

Herbert de Bruijne, voorzitter van de Amsterdamse basisschoolbesturen, heeft geen bezwaar tegen het openbaar maken van schoolprestaties, maar begrijpt de schroom van zwakke scholen wel. „Scholen worden constant ter verantwoording geroepen, terwijl er vaak externe factoren zijn waardoor een school het niet goed doet. In sommige buurten hebben relatief veel kinderen een taalachterstand of krijgen de leerlingen thuis weinig ondersteuning, bijvoorbeeld. Lagere resultaten betekenen dan niet per se dat de kwaliteit van het onderwijs niet goed is.”

Er is in Amsterdam daarom lang gediscussieerd over de gevaren van rangordelijstjes van scholen, vertelt De Bruijne. Uiteindelijk zette hij, samen met de wethouder, toch zijn handtekening onder de kwaliteitswijzer, omdat die een breed scala aan schoolinformatie bevat.

De Bruijne heeft grote bedenkingen bij het openbaar maken van Cito-scores alleen. „Een Cito-score op zich zegt niet zo veel. Het is een momentopname. Veel kinderen trainen op die specifieke toets. Om een goed beeld te geven van de kwaliteit op een school is het beter de leerlingen meerdere jaren te volgen.”

Een inspectierapport geeft volgens De Bruijne een beter beeld van de kwaliteit van een school. Maar ouders zijn vaak niet geneigd dat te bekijken, is zijn ervaring. „Als een school in de buurt een goede naam heeft, willen ouders daar vaak allemaal hun kind inschrijven.”

De grote belangstelling van ouders voor scholen met een goed imago was er ook voor de kwaliteitswijzer al. Maar ouders hoeven sindsdien niet meer op geruchten of oordelen van andere ouders af te gaan. Sommige ‘zwarte scholen’ hebben er ook voordeel bij gehad, omdat zij goed bleken te scoren.

Zwakke scholen komen nu wel moeilijk van hun slechte imago af. Als de schoolkwaliteit vooruit gaat en de school het predicaat ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ verliest, is het wachten op de nieuwe editie van de kwaliteitswijzer waarin dat wordt gepubliceerd. Maar dat betekent niet dat die scholen van hun verleden verlost zijn: de schoolprestaties van drie opeenvolgende jaren worden in de brochure vermeld.