Gras metenop Spitsbergen

Hij was Dichter des Vaderlands en is nu opnieuw acteur. Ramsey Nasr liet deze zomer alle cultuur achter zich, om zich op Spitsbergen helemaal aan de natuur te wijden. Als onderzoeksassistent.

Maarten Loonen (links) en Ramsey Nasr meten gras op Spitsbergen. Foto Suzanne Lubbe

‘Kijk goed om je heen. Hier zitten soms ijsberen.” Maarten Loonen manoeuvreert de zodiac (een opblaasboot) de baai in. Voor ons doemt een immense muur op van diepblauw ijs. Op veilige afstand van de gletsjer wordt de motor van de rubberboot afgezet.

„En…?” Nergens ijsberen, hoe lang ik ook tuur met mijn verrekijker.

We dobberen wat rond in de baai. Maarten zit op de achterrand van de zodiac. Hij luistert slechts. Pas wanneer ik mijn verrekijker wegleg, merk ik hoe stil het hier op Spitsbergen is. Geruisloos valt de motregen op onze mutsen. Nu en dan grijpen we naar een peddel om te voorkomen dat we de gletsjer te dicht naderen. Op zulke momenten horen we ijsschotsen schuren langs de zijkant en de bodem van ons opblaasbootje. Alsof ons eigen lijf zo kraakt.

IJs. Water. Lucht. Verder niets.

Minutenlang drijven we zo, tegenover een muur waar al het denken lijkt te stoppen – tot plots een luide donder weerklinkt. Geen bliksem.

„Dat is het ijs”, verklaart Maarten. „Of zoals de Noren zeggen: de gletsjer babbelt.”

Niet veel later zien we pal voor ons een groot stuk van de gletsjer afbreken en neerstorten. Na een minuut begint het water te deinen, traag maar onstuitbaar, in langgerekte golven. Moeten we niet weg hier? Verderop ligt een luie baardrob op een platte ijsschots; hij heeft geen zin er vanaf te komen en laat zich met zijn dikke lijf heen en weer wiegen in de baai.

„Toen ik hier voor het eerst kwam, vierentwintig jaar geleden, was alles in deze baai nog ijs – toen kon je hier helemaal niet komen.” De Nederlandse wetenschapper houdt de golven in de gaten. „De gletsjer trekt zich almaar verder terug.” Wanneer ik het K-woord in de mond neem, haalt hij gelaten zijn schouders op. Tja, klimaatverandering... „Alleen al het feit dat het hier nu regent, dagen aan één stuk… Dat is toch niet normaal?”

We peddelen weg van de baardrob, terug naar Ny-Ålesund.

Op zich is vrijwel niets normaal te noemen in Ny-Ålesund. Het dorp staat bekend als de meest noordelijke nederzetting ter wereld, op 78°55’ noorderbreedte. Het heeft geen burgemeester maar een directeur en wordt uitsluitend bewoond door wetenschappers, die drie keer per dag te eten krijgen. Ze zijn afkomstig uit Groot-Brittannië, Duitsland, Nederland, Frankrijk, China, zo’n twaalf landen in totaal. Elk land heeft zijn eigen huis. Wanneer je arriveert in het dorp moet je je melden bij de receptie, en wie even weg wil, voor veldwerk of een wandeling, moet eerst zijn schietdiploma halen: niemand mag zonder geweer op pad. Verder heeft Ny-Ålesund wel een bar, maar geen ziekenhuis: wie ziek wordt, moet weg. Gsm’s moeten uit omwille van de radiostilte. En ten slotte: aangezien de permafrost geen begrafenis toelaat, is het verboden te sterven.

Ny-Ålesund vertoont alle trekken van het aards paradijs. Jammer dat het niet voor mensen werd geschapen. En ook niet voor bomen trouwens, of voor reptielen of amfibieën. Men leeft er in een tamelijk leeg en overzichtelijk landschap. IJsberen, vogels, poolvossen, wetenschappers, walrussen.

Maarten Loonen (52) werkt het grootste deel van het jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Elke zomer echter, wanneer de brandganzen vanuit Schotland in Spitsbergen neerstrijken om te paren en te broeden, landt ook hij met het dorpsvliegtuigje om de vogels in hun bezigheden gade te slaan. Enkele maanden later trekken de ganzen weer zuidwaarts en reist Maarten naar huis, in het spoor van zijn onderzoek.

Zo komen en gaan de wetenschappers, samen met ‘hun’ noordse sternen, ‘hun’ eidereenden, ‘hun’ grote burgemeesters en kleine jagers. In enkele maanden loopt Ny-Ålesund vol en weer leeg. Slechts dertig mensen overwinteren in het dorp. De achterblijvers bestuderen in het aardedonker de meer bestendige elementen: magnetisme, zwaartekracht, de diepte van de permafrost, verschuivingen in de aardas of de positie van onze planeet in het heelal.

„Je bent hier welkom”, had Maarten me gezegd, „mits je assisteert bij de onderzoeken.” Dat was drie jaar geleden, bij mijn vorig bezoek aan Ny-Ålesund. Voor niet-genodigden is er namelijk maar één manier om dit wetenschapswalhalla te betreden: als toerist op een cruiseschip. Elke dag gooien hier de kolossen hun ankers uit, opdat in totaal 30.000 passagiers per zomer in het meest noordelijke postkantoor ter wereld een briefkaart kunnen posten of een half uur lang foto’s kunnen maken van al die gekke wetenschappers.

Neem nu het mannetje dat voorovergebogen op de knieën in het mos zijn nuttige werk verricht, als in aanbidding van de aarde. De toerist kijkt toe hoe hij zijn neus bijna tegen de grond drukt.

„Wat doet u daar, meneer?”

„Gras meten.”

„Pardon…?”

Ik zucht, kom overeind en ga er eens goed voor staan in mijn rubberlaarzen.

„Kijk mevrouw, we hebben op twaalf plekken in dit dorp zogeheten plotjes uitgezet. Daar gaan wij elke zes dagen het gras opmeten. De helft van de percelen is omheind – exclosure noemen wij dat – en de andere helft ligt open. Hiermee wordt de impact van de begrazing door de brandganzen op de toendra onderzocht.”

Amazing”, zegt de dame op leeftijd. „Wat heeft u gestudeerd?”

Daar was ik al bang voor. Ik besluit het mooie moment niet te verpesten.

I’m a field assistant.”

Niemand hoort graag dat belangwekkend onderzoek wordt verricht door acteurs en dichters.

Ik zijg weer neer op mijn knieën, pincetje in mijn hand, en vang een veelbelovend geluid op: klik-klik. Drie jaar geleden maakte ik diezelfde foto. Mijn camouflage begint te werken.

Gras meten had Maarten wel een leuk klusje voor me geleken. Het is daarnaast een klusje dat niemand anders wil doen. Tijdens de lunch hebben twee hardcore ganzenonderzoeksters reeds hun misprijzen getoond: „Zo, ga je grassprietjes meten? Spannend, hoor.” Het bleek om een diepgewortelde aversie tegen flora te gaan. Zoals een van hen, de Duitse Isabella, het verwoordde: „Ik háát planten!” Op mijn vraag waarom had ze geantwoord: „Well… they don’t behave.” Isabella heeft zich als zoöloog gespecialiseerd in de sociale interactie tussen en binnen ganzenfamilies. In haar ogen sta ik op de laagste tree van de biologische ladder.

„Tja, je hebt inderdaad dierecologen en plantecologen”, verzucht Maarten tijdens de metingen op de grond. „Ik geloof zelf niet zo in dat onderscheid. Ik noem mezelf liever arctisch ecoloog. Ik ben hier de enige onderzoeker die zich met de vegetatie bezighoudt, en toch is dat belangrijk, want alles houdt verband met elkaar.” Hij kijkt even op van zijn werk. „Jij vindt dit misschien een mooie kale toendra. Maar dat is dus het gevolg van overbegrazing. Een halve eeuw geleden was dit een uitbundige weide.”

We meten door. Maarten houdt zijn meetlat bij een van de schaarse sprietjes en dicteert: „Vier millimeter. Top afgegraasd.”

Terwijl ik de gegevens noteer, hoor ik hem tegen het gras mompelen: „Ik wil gewoon alles begrijpen.”

Op de terugweg van mijn metingen kom ik Tim van Oosten tegen. Tim studeert bij Maarten en zijn masterthesis voor het Arctisch centrum van de Rijksuniversiteit Groningen behandelt de invloed van klimaatveranderingen op de trekroute van de noordse stern. Daarnaast observeert hij de sternen in het dorp. Meermaals per dag fietst Tim een rondje om nesten te tellen. Ik zie hem al van verre aankomen, met zijn feloranje jas en dito Unox-muts. In weerwil van deze vrolijke verschijning heeft hij de pest in: door de aanhoudende regen lopen alle nesten van de sternen onder, wat funest is voor de eieren. Na elke ronde kan hij nesten van zijn lijstje schrappen. Hij toont zijn notitieboekje. Nest 1: leeg. Nest 2: leeg, et cetera. Niettemin houdt hij de moed erin: „Hopelijk komen ze terug voor een tweede leg.”

De regen. Iedereen heeft het erover. Maarten heeft sinds 1997 niet zo’n natte zomer meegemaakt in Ny-Ålesund. Toeval, of onderdeel van een patroon? En wat betekent het wanneer het aantal eidereenden en noordse sternen plots dramatisch daalt, zoals dit jaar? Wat betekent het als een ijsbeer in het dorp vroeger als unicum werd beschouwd en er deze zomer constant ijsbeermeldingen zijn? Zijn ze wanhopig? Is hun aantal zozeer gegroeid? Verliezen ze door het toerisme hun angst voor mensen?

Wat betekent onze invloed op de natuur? Zulke zaken worden in Ny-Ålesund non-stop onderzocht. Ik logeer in een dorp waar vermoedens van feiten worden onderscheiden.

Halverwege de avond zie ik de twee Duitse ganzenonderzoeksters door een telescoop kijken. Ik kom erbij staan, vraag wat ze doen. Het blijft even stil. Ze wachten op poep, zeggen ze dan. Ik knik, hoop op verdere uitleg. Die komt niet. Terwijl ze de ganzen op het veld nauwlettend in de gaten houden, laat Isabella zich ten slotte ontvallen dat ze de invloed onderzoekt van vervuilde versus schone broedhabitats op stress bij ganzen. Die informatie wordt verkregen door de fecaliën te analyseren in een lab. Ze kijkt me geen seconde aan. „We moeten de poep zelf zien vallen, om zeker te zijn dat het van die gans afkomstig is.”

Ik blijf nog even bij de stokstijve onderzoeksters in de regen staan. Echt behaven doen ze niet.

Om 1 uur ’s nachts staan ze daar nog altijd, als twee bevroren paardenbloemen. Ik groet ze wanneer ik mijn tanden ga poetsen in het doodstille dorp.

Eenmaal terug houd ik halt aan het gele houten huisje van ons poolstation. Aan de grond genageld, tandenborstel in de hand. Het wolkendek is eindelijk opengebroken. Een heldere, felle zon beschijnt het fjord en de drie gletsjers, die al eeuwen als lichtblauwe lava tussen de bergen hangen. Ergens daar, ver weg babbelen de elementen, vallen de brokken met gedonder naar beneden. Hier aan het gele huisje is alles kalm. Windstil.

Vóór mij in het drassige mos scharrelen brandganzen rond met hun pasgeboren kuikens, op zoek naar gras. Hun zwart-witte verenkleed steekt af tegen het iriserende groen van de toendra. Mannelijke noordse sternen vliegen af en aan met visjes in de bek om vrouwtjes te imponeren. Iedereen heeft haast om zich voort te planten. Alles moet snel gaan in het poolgebied, waar twee weken geleden alles nog met sneeuw was bedekt, sinds eergisteren de kompasplanten uitbundig paars in bloei staan, en waar binnenkort de zon weer voor het laatst zal ondergaan om maanden van duisternis achter te laten.

„Als je hier geen werk hebt, is er niks aan. Je moet iets te doen hebben.” Aanvankelijk dacht ik dat Maarten een grapje maakte – wie in het meest noordelijke dorp ter wereld op houten klompen rondloopt, kan een gevoel voor humor niet ontzegd worden. Maar hij was bloedserieus. Voor de onderzoeker is dit zomerverblijf een halve normaliteit geworden: het poolgebied is zijn kantoor. Ik ben hier nog te kort om me niet verkruimeld en afwezig te voelen. Ik sta in de volle poolzon met mijn pas gepoetste tanden en ik heb geen smaak, geen voorkeur, geen mening, geen persoonlijkheid meer over. Alleen, op de mooiste onleefbare plek ter wereld.

In euforie loop ik naar binnen, om te gaan slapen in het kleinste zolderkamertje van Ny-Ålesund, waar je je kopt stoot als je je omdraait.