Een eng huis vol gilgrage dochters

Spookhuisfilms kennen weinig verrassingen The Conjuring is geen uitzondering En toch levert ook dit behekste huis rillingen op

Redacteur film

Meer dan eenderde van de Britten, Canadezen en Amerikanen schijnt in haunted houses te geloven: huizen bezeten door een kwade geest, huizen waarin een gruweldaad in de planken en schanieren is getrokken.

Voor dat geloof in spookhuizen kun je prozaïsche verklaringen verzinnen: windstromen en uitzettend metaal, autosuggestie en lucide dromen. Je kan, met toxicoloog Albert Donnay, vaststellen dat elk huis een broeikas vol zinsbegoochelende gassen is: formaldehyde, verfdampen, koolmonoxide. En dat het geen toeval is dat geloof in spookhuizen opkwam in de 19de eeuw, toen gas- en kolendampen elk huis tot een ware hallucinatiemachine maakten.

In de film blijft het spookhuis net zo’n vitale attractie als op de kermis. Dat bewijst The Conjuring, een goedkope griezelfilm die in Amerika dure blockbusters als Pacific Rim, Red 2 en Turbo achter zich liet: een krakende drempel vermag meer dan een megamonster. Genrespecialist James Wan (Saw, Insidious) hoefde niet eens iets nieuws te verzinnen: The Conjuring dient bekende ingrediënten hooguit aantrekkelijk en goed gedoseerd op.

In dit ‘waargebeurde verhaal uit het archief van de paranormale onderzoekers Ed en Lorraine Warren’ verhuist anno 1971 de familie Perron – vader, moeder, vijf gilgrage dochters – naar een huis dat ze voor een prikkie op de kop tikten. Het is zo’n eenzaam, verkrot beest tussen verwrongen boomstammen en een inktzwart meer, met ramen als kwaadaardige ogen en een deur als een muil. De demonische aanwezigheid dient zich aan met de bekende dramatische timing: eerst bescheiden poltergeistwerk (geklop, koude vlagen, rotte geur, de klok stil op 03.08), daarna een escalatie van enge schimmen in spiegel of klerenkast, tenslotte grof gooi- en smijtwerk met meubels en mensen, alsmede bezetenheid. Paranormale onderzoekers schieten te hulp, maar ook zij hebben zwakke plekken.

Behekste hindernisbaan

In spookhuisfilms draait alles tegenwoordig om het gezin. Dat was niet altijd zo: vroeger werd een groep volwassenen op de proef gesteld in een behekst paleis, ooit door een duivelse aristocraat bewoond. Dat veranderde ergens in de jaren zeventig met films als Don’t Be Afraid of the Dark (1973) en The Amityville Horror (1979): de norm werd een gewoon gezin dat in een afgelegen huis met een nare voorgeschiedenis trekt. De klopgeest, als eerste opgemerkt door een sensitief kind, tracht het gezin uit elkaar spelen en zoekt de zwakste schakel. Hij verleidt papa, neemt bezit van mama, ontvoert het kindje. De kernvraag: overwinnen liefde en nestwarmte het kwaad?

Het spookhuis nieuwe stijl is eigenlijk een hindernisbaan waar het gezin zijn cohesie moet bewijzen. Een logisch product van de jaren zeventig dus, toen seksuele revolutie, emancipatie en relationele onzekerheid een echtscheidingsgolf veroorzaakten en het kerngezin in gevaar leek.

Het is geen toeval dat Steven Spielberg, die in zijn vroege films (Close Encounters, E.T.) de traumatische scheiding van zijn ouders verwerkte, in 1982 de drijvende kracht was achter Poltergeist, waarin het dochtertje van de Freelings de tv in wordt gezogen en spoken zonder maatgevoel elk denkbaar gruweleffect op het gezin loslaten. Stanley Kubrick doorzag in 1980 de emotionele resonantie van de spookhuisfilm en schokte zijn fans met de ‘banale horrorfilm’ The Shining, waar het geïsoleerde Overlook Hotel het wankele gezin van Jack Torrance verwoest. The Others is uniek, omdat het de zaken bekijkt vanuit het perspectief van de klopgeesten – vaak een gezin dat eerder ten prooi viel aan waanzin en moordlust.

Met het gezin kwam het nooit meer goed: de spookhuisfilm blijft daarom nog wel even onze onzekerheden uitvergroten om ze daarna te overwinnen. The Conjuring weet zonder één verrassing toch de gewenste fysieke effecten te bereiken: kippenvel, rilling langs de ruggengraat en witte knokkels. Best een verdienste.