De relativiteit van de ranglijst

Raakt de Nederlandse economie op achterstand? Deze week bleek dat ons land van de vijfde naar de achtste plaats is gedaald op de internationale concurrentielijst van het World Economic Forum. Er is wel wat te zeggen voor zo’n ranglijst. Hij geeft aan in hoeverre landen zich staande kunnen houden in de goeddeels open wereldeconomie. Als er sprake zou zijn van een structurele erosie van de concurrentiekracht, dan is dat inderdaad reden tot ingrijpen. Maar is dat zo?

Het meten van die concurrentiekracht ligt ergens tussen kunst en wetenschap. Dat de totale economische kracht van een land kennelijk tot twee cijfers achter de komma kan worden uitgedrukt op een schaal van één tot zeven is al twijfelachtig. Dat vervolgens een verschil van een paar honderdsten ten opzichte van vorig jaar (5,42 versus 5,50) kan leiden tot grote conclusies over de Nederlandse economie grenst dus aan onwaarschijnlijke.

Dat zal ook zeker niet de bedoeling zijn van de opstellers van het jaarlijkse rapport. Het zijn de publieke en politieke reacties die ermee aan de haal gaan. Vergelijkende internationale ranglijsten worden niet zelden aangehaald om druk uit te oefenen op het beleid voor een bepaalde sector of activiteit. Dat gaat vooral op als er sprake is van een daling. Bij een stijging heeft vaak, ironisch genoeg, niemand in dit opzicht een belang.

Nederland schommelt sinds jaar en dag in de toptien van de ranglijst, het ene jaar wat hoger of lager dan het andere. Belangrijker is dat het land innovatief en concurrerend is, en als zodanig te boek staat. Of specifiek overheidsbeleid daarbij doorslaggevend is, is de vraag. Het gaat eerder om het scheppen van de juiste omstandigheden waarin het particuliere initiatief kan bloeien. Innovatie ontspruit uit het brein van ondernemende, goed opgeleide mensen. Zij bloeit op in bedrijven die initiatiefrijk en flexibel genoeg zijn, en ook risico durven nemen. Zij floreert in een economie waar de markt goed functioneert en financiering afdoende voorhanden is.

Dat verandert niet van jaar op jaar, al is de toegang tot leningen van de bancaire sector op dit moment wél een rem. Maar dat was in de beleving van ondernemers vorig jaar ook al het geval, toen Nederland juist steeg van een zevende naar een vijfde plaats.

Moet zo’n ranglijst dan maar worden genegeerd? Hij heeft zeker zijn waarde, al is het maar als vroegtijdige waarschuwing. Als een positiedaling consistent blijkt, is er reden voor zorg. Maar in de tussentijd een korreltje zout kan geen kwaad.