Banken zaten fabrieken in de weg

De industrie heeft op de arbeidsmarkt last gehad van de onstuimige groei van de banken. Zij waren een sterke magneet voor technici, blijkt uit onderzoek.

Wanneer is een natuurkundige van meer maatschappelijke waarde? Als hij voor een investeringsbank een algoritme bedenkt waarmee hij een hefboom zet op zijn eigen beloning én de winst van de bank? Of als hij zijn tijd en energie steekt in het ontwikkelen van een nieuwe generatie betaalbare zonnepanelen waardoor energiekosten dalen en afhankelijkheid van dure olie en gas afneemt?

Iedere leek zou het tegenwoordig kunnen bedenken. Maar wetenschappelijk bewezen was het nog niet. Christiane Kneer slaagde daar wel in. Zij hoopt dit najaar te promoveren op onderzoek waaruit blijkt dat een te omvangrijk bankwezen op lange termijn economische groei kan schaden door het wegkapen van talent. De Nederlandsche Bank schenkt er binnenkort in haar wetenschappelijke reeks ‘working paper series’ aandacht aan.

Nederland klaagt al jaren over tekorten aan beta’s en technici. Volgens het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) dreigt een jaarlijks tekort van 30.000 technici. Ingenieurs, laboranten, onderzoekers, industrieel ontwerpers. We hebben er te weinig van. Maar een link met de financiële sector werd tot nog toe niet gelegd.

Wie zich afvraagt waar het tekort vandaan komt, stuit op bekende verklaringen. Het ligt aan de studenten, is een veel gehoorde uitleg. Die kiezen liever een pretstudie dan een moeilijke studie. Een andere oorzaak: techniek heeft in Nederland een pr-probleem, en wordt ten onrechte met vies en smerig geassocieerd. Ook gehoord: technici verdienen te weinig.

Daar kan nu een vierde aan worden toegevoegd. Het is de deregulering van de financiële sector die tot een braindrain heeft geleid; wég van de sectoren waar technici zo node worden gemist en náár de bankken waar dankzij de deregulering nieuwe businessmodellen vol complexe financiële producten konden ontstaan.

Christiane Kneer, onderzoeker bij toezichthouder DNB, wijst op deze schaduwkant van de Europese liberaliseringsgolf in de financiële sector die het continent moest opstuwen. Dat lukte tot aan het uitbreken van de financiële crisis, maar zorgde er tegelijkertijd voor dat de industrie achterop raakte. En die wordt voor groei in het kwakkelende Europa nu juist zo belangrijk geacht.

Sectoren die sterk afhankelijk zijn van onderzoek en ontwikkeling, zoals de chemische en de elektrotechnische industrie, zouden zich dankzij de braindrain minder gunstig hebben kunnen ontwikkelen dan sectoren die niet met banken concurreerden om talent, constateert Kneer. De financiële sector fungeerde als een „magneet voor de besten en de slimsten”, stelt zij.

Kneer deed onderzoek naar dertien Europese landen in de periode tussen 1980 en 2005 en ontdekte dat de toegenomen liberalisering een negatief effect had op de industrie. Nadat de deregulering inzette groeiden deze bedrijven minder hard dan ze hadden kúnnen doen, afgezet tegen bedrijven in sectoren die niet of nauwelijks afhankelijk zijn van onderzoek en ontwikkeling, zoals de houtindustrie. Hetzelfde effect ging op voor de productiviteit. Ook die bleef achter. „Het is dus niet zo dat de bankenwereld kon groeien dankzij een surplus aan talent. De groei ging ten koste van andere sectoren”, concludeert Kneer.

Het is onderzoek dat voortborduurt op de gedachte die in 2010 onder economen postvatte. Namelijk dat het aanmoedigen van groei in het bankwezen de economie op de langere termijn juist kan verzwakken. Over dat verband is nog weinig bekend. Onderzoek van het IMF suggereert dat de financiële sector een rem zet op verdere groei van de economie als de schuldenberg van particulieren boven de omvang van de economie uitkomt. In Nederland is dat al ruimschoots het geval. De particuliere schuld bedroeg hier vorig jaar 1.352 miljard euro, ruim 220 procent van het bruto binnenlands product.

De omvang van de financiële sector neemt in Nederland inmiddels af. Het UWV, dat de werknemersverzekeringen uitvoert, voorspelt dat er de komende jaren nog duizenden banen zullen verdwijnen in de sector. Kneer verwacht dat een deel van die mensen in de industrie terechtkan. „Zij kunnen het innovatiepotentieel gunstig beïnvloeden en de economie verder helpen groeien”, zegt zij.

Maar, waarschuwt Kneer: „Talent kan er ook voor kiezen om nieuwe bedrijven op te zetten en nieuwe producten te ontwikkelen met een impact die we nu nog niet kunnen overzien. Denk aan de dot.com-industrie die in 2000 als een zeepbel uit elkaar spatte en de vorige crisis inluidde.” Bovendien heeft de financiële sector ondanks de crisis haar aantrekkingskracht op talent nog niet verloren, denkt Kneer. Temeer daar de beloningen in de sector nog niet zijn „genormaliseerd”. „Herregulering is een heel langzaam proces”, zegt ze.

Intussen is er een hele reeks van publiekscampagnes, samenwerkingsverbanden en overlegcircuits opgetuigd om het tekort aan technici weg te werken, vooral door schoolverlaters te stimuleren vaker voor exacte vervolgstudies te kiezen.

Dat een grote groep technisch gediplomeerden al direct na afstuderen kiest voor een baan buiten de techniek, blijft veelal onbelicht. Uit onderzoek van het bureau SEO, gelieerd aan de Universiteit van Amsterdam, blijkt dat slechts de helft van de technisch gediplomeerden ook daadwerkelijk in een technisch beroep belandt.

Onder hogeropgeleiden is dat aantal blijkens de SEO-studie nog geringer. Tussen 2000 en 2007 koos eenderde van de pas afgestudeerden in de exacte vakken voor een carrière in de financiële of zakelijke dienstverlening. Dat aandeel is na het uitbreken van de financiële crisis wel afgenomen, maar is nog steeds 23 procent. Een nieuwe generatie betaalbare zonnepanelen levert het hoogstwaarschijnlijk niet op.