Column

Arjen van Veelen Drinkebroers

Nederland telt ruim een miljoen probleemdrinkers. De meesten daarvan hebben zich goed verstopt. Het zijn je collega en je eigen vrouw, alleen ze drinken stilletjes, steeds vernuftiger in het verdoezelen van hun ziekte.

Terwijl je deze zin leest nemen honderdduizenden vlug een slokje, net nu je niet kijkt.

Maar bij mij om de hoek zit een groepje drinkebroers die heel publiekelijk hun dorst lessen. Ze zitten elke dag bij twee bankjes naast de brug, iets verheven boven straatniveau, als op een presenteerblaadje.

Het is een topplek. Er is rondom uitzicht en veel zon. De Albert Heijn, met z’n halve liters Euroshopper-bier voor 49 cent, is vlakbij.

Iets verder zit een echt caféterras, ook met leuk uitzicht, maar daar is het bier zeven keer zo duur, dat is alleen voor hippe mensen; daar zit ik zelf vaak.

De samenstelling wisselt, maar ik zag vaak een man met baseballcap en bril, hij leek net een filmregisseur. Ook had je een lange man met blonde stekeltjes die kon gebaren alsof hij belaagd werd door bijen. Dan had je nog een zwijgzame heer in een scootmobiel. En soms een jonge vrouw.

Ze komen zelfs als het regent. Soms hebben ze woordenwisselingen, die snel worden gesust.

Een poosje terug schoof ik bij ze aan, benieuwd naar hun conferenties. Ik had een krant bij me, maar voor ik kon doen alsof ik las, kwam de man met de stekeltjes naar me toe. Hij had een blikje energiedrank in z’n hand, dat hij leeggoot in een blik bier.

Toen hij hoorde dat ik stukjes schreef, viste hij een gele bon uit een tasje onder zijn shirt. Boete voor wildplassen. Honderddertig euro. En het was niet eens een heterdaad. Pure pesterij.

Hij vertelde zijn biografie. Schoolverlater, misbruik, heroïne, criminaliteit, scheiding – misère alom. Maar nu pikte hij de draad weer op. Hij leerde bijvoorbeeld eindelijk lezen. Zijn vrienden hier op de brug hielpen hem daarbij, aan de hand van de Metro.

Hij kwam naast me zitten, probeerde de voorpagina te begrijpen. Als eerste snapte hij het woord ‘Turkije’: daar zat zijn zoon nu in een cel.

Hij bracht me naar de rest van de groep, want het was goed dat een onafhankelijk journalist hun verhaal vertelde. Zwervers waren ze beslist niet. Ze hadden huizen en de man met de scootmobiel woonde in een verzorgingstehuis. De man met de bril was afgekeurd, kapotte knie, COPD. Hij ging ook weleens biljarten, deed vrijwilligerswerk bij de voedselbank, maar dit plekje was hem bijzonder dierbaar. Hier werd er naar je gevraagd als je drie dagen niet kwam opdagen. Ze vierden elkaars verjaardagen, met een extra rondje bier. Je kon hier zelfs vissen, er zat snoek.

Een droomterras.

Maar: ze moesten weg. De buren klaagden. Binnen drie maanden kwam hier zo’n verbodsbordje, een fles met een rode streep erdoor, zoals je die elders in de wijk al zag.

Een Algemene Plaatselijke Verordening.

Dan gingen ze wel naar een andere plek, naar een park, of zo – uit het zicht, net als de rest van het miljoen.