Zoek liever de zin achter de tomaat

Filosofie is een frivole vorm van tijdsverspilling wordt vaak gedacht. Alles moet ‘nut’ hebben of toepasbaar zijn. Heel dom, meent Francisca Wals.

Illustratie Martien ter Veen

Zaterdagavond, feestje, gesprekspartner die ik niet ken. Het afgelopen half uur mocht ze uitweiden over haar studie werktuigbouwkunde en nu ben ik aan de beurt. Wat ik dan studeer, wil ze weten. Ik twijfel, bedenk hoe ik me in zal dekken. „Filosofie.” Stilte. Ik zie haar kijken, lichte frons. „Goh, leuk.” Weer stilte. „Wat kun je daar eigenlijk mee worden?” Ik, pavlovantwoord: „Tja, alles en niets.” Zij: „Oh, oké.’”Ander onderwerp.

Dit is het standaardscenario dat volgt op het onthullen van mijn filosofische studiekeuze. Vreemd, hoor je ze denken. Zweverig. Decadent. Zelden vraagt iemand door, ook vrienden mijden angstvallig mijn scriptieonderwerp. „Wat is jullie bijdrage aan het bruto nationaal product?” vroeg een oom laatst. Het was een grapje, maar de boodschap was duidelijk: filosofie, wat heeft dat in godsnaam voor zin?

Filosofie heeft het zwaar in de Hollandse polder. Direct economisch nut heeft ze niet en dat maakt haar voor de calvinistische Nederlander een frivole vorm van tijdsverspilling. Descartes merkte in de zeventiende eeuw al op dat hij hier zijn hele leven door zou kunnen brengen ‘zonder ooit door iemand opgemerkt te worden’, zo druk was iedereen met ‘handeldrijven en winst maken’.

De VOC-mentaliteit blijkt hardnekkig. Met economisch nut als grootheid en de euro als eenheid verkeert filosofie in een legitimiteitscrisis. ‘Bedrijven investeren liever in techneuten dan in filosofie’, kopte NRC Handelsblad half augustus. Liever steken zij geld in het ‘veredelen’ van de Nederlandse tomaat, zoals een professor uit Wageningen mocht vertellen. De regering overweegt de filosofisch-humanistische omroep HUMAN op te heffen: ze ziet er het ‘nut’ gewoonweg niet van in. Pamfletten met noodkreten worden verspreid: ‘Diepgang krijg je niet cadeau!’, ‘Investeer in filosofie!’

Sommetjes maken

Een negen haalde ik voor mijn eindexamen natuurkunde. Achten voor wis- en scheikunde. Dat bètatalent, daar moest iets mee gebeuren – zeker omdat ik een meisje was. Het werd bouwkunde. Dat leek me de perfecte combinatie van alfa en bèta: architectuurgeschiedenis en constructies berekenen. Praktisch doch cultureel.

Ik kwam, zag en vertrok uit Delft binnen twee maanden. Gek werd ik van het gortdroge toepassen, de tunnelvisie, het one way-ticket naar een eendimensionaal ingenieursbestaan. Sommetjes maken en maquettes bouwen; ik had toch echt meer stof tot nadenken nodig.

Filosofie studeren lag voor de hand. Net zoals driekwart van mijn huidige studiegenoten had ik ooit in vervoering De Wereld van Sofie gelezen, Jostein Gaarders gefictionaliseerde introductie in de filosofie. ‘Filosofen zijn luizen in de pels’, las ik in dat boek. ‘Ze kruipen niet diep weg in de vacht, ze kijken naar buiten, blijven zich verwonderen.’

Het was waar. In mijn eerste jaar leerde ik over Socrates, die meende dat je beter als ongelukkig mens door het leven kon gaan dan als gelukkig zwijn. Over Descartes, die door alles in twijfel te trekken absolute zekerheid trachtte te verkrijgen. Over John Rawls die zocht naar de rechtvaardiging van maatschappelijke gelijkheid. En over Hannah Arendt die mensenrechten op hun legitimiteit bevroeg. Na een jaar filosofie stond alles op z’n kop en ‘de’ waarheid, daar geloofde ik niet meer in.

Toch begon het te jeuken, dat bètatalent. Ik ging op bezoek bij natuurkunde. Daar stond nog net geen fanfare klaar voor elk meisje dat voet binnen de faculteit zette. Ik zou over sterrenstelsels en entropie leren, vertelde de studieadviseur. Over E=MC², zwaartekracht, talloze formules en grote verhalen. Echte wetenschap. Hard.

Ik schreef me niet in. Niet het harde werken weerhield me. Niet de complexiteit van de stof. Het was The Structure of Scientific Revolutions van Thomas Kuhn, dat ik voor een college wetenschapsfilosofie had moeten lezen. Hij stelde dat wetenschap ook maar een opeenvolging van paradigma’s is. Dat onze waarnemingen gestuurd worden door ons wetenschappelijk denkraam. Bruno Latours actor-network theory deed mijn natuurkundige ambities voorgoed de das om. Wetenschap is geen cumulatieve waarheidsvinding, stelde hij. Het is een netwerk van mensen en materie waarbinnen ‘waarheden’ ook maar gecreëerd worden.

Een wetenschap als natuurkunde die pretendeert steeds dichter bij ‘de waarheid te komen’ – ik kon er niet meer serieus aan meedoen. De filosofie had mijn denken voorgoed veranderd.

Ooit bood de filosofiefaculteit onderdak aan natuurkunde, scheikunde en biologie. Het waren ‘slechts’ takken van de wijsbegeerte, de moeder aller wetenschappen. De restanten hiervan vinden we terug in de fossiele titel die geslaagde promovendi toegekend krijgen: ‘master of philosophy’, ongeacht welk vakgebied. Het ooit zo gezaghebbende Bildungsideaal – met persoonlijke en maatschappelijke zelfontplooiing als uitgangspunt – van de Duitse intellectueel en universiteitsstichter Wilhelm von Humboldt, leunde zwaar op filosofisch onderwijs.

In de negentiende eeuw rukten de bètafaculteiten zich stuk voor stuk los van hun vroegere voedingsbodem. Nieuwe gammadisciplines gingen van meet af aan hun eigen gang. Los van haar vroegere geesteskinderen raakte filosofie in een legitimiteitscrisis. Als uitgeklede discipline moest ze zichzelf ineens bewijzen. De afvallige vakken beten zich vast in kwantitatieve dogma’s waar ze tot op de dag van vandaag hun bestaansrecht aan ontlenen. Von Humboldts humanistische aspiraties verdwenen voorgoed naar de achtergrond.

Even een filosoof bellen

„Ik wist niet wat me overkwam”, vertelt een filosofievriendin die net een half jaar in Parijs studeerde. „Als ik in een café vertelde dat ik filosofie studeer, waren die Fransen geïnteresseerd. Ze vroegen wat ik dan las.” Ze heeft verhalen over drukbezochte filosofielezingen, filosofen op radio en tv (‘zelfs in de ontbijtshow!’), grote filosofieafdelingen bij boekhandelketen FNAC. „Filosofie is daar echt iets anders.”

Een paar dagen later zit ik bij professor Ieme van der Poel in haar tuin in Amsterdam-Zuid. Zij is hoogleraar Franse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en ik vraag haar of het echt zo is, of in Frankrijk de filosofie een minderwaardigheidscomplex bespaard blijft. Ze vertelt over president Sarkozy, die zich door filosoof Bernard-Henri Lévy liet adviseren over de Franse inval in Libië: „Ondenkbaar toch, dat Rutte even een filosoof zou bellen om te overleggen over Afghanistan?” Ze vertelt over president Mitterand, die in de jaren 80 en 90 een wekelijks onderonsje had met ‘les intellectuels’ over de staat van het land. Over Voltaire en Rousseau, die in de achttiende eeuw al een stevige maatschappijkritiek aan de dag legden. Over Sartre, De Beauvoir, Foucault, Bourdieu en Badiou – Franse filosofen die niet weg te slaan waren (en zijn) uit het publieke debat, immer breed uitgemeten in de media. En over filosofie als verplicht middelbareschoolvak en de Franse trots op hun filosofische traditie. Het elitaire randje maakt de Fransen volgens haar niet zoveel uit – ‘houden ze wel van’.

Niet in ons land. Elitair is een scheldwoord en filosofie haar evenknie. Alles wat niet linea recta praktisch toepasbaar is, wordt met argwaan beloerd, met laster omschreven. Publieksfilosofie kan wellicht nog net door de beugel. Met filosofisch cherry picken en een flinke dosis autobiografische elementen fabriceren tv- en tijdschriftfilosofen een praktisch zelfhulpratjetoe. Maar Hegel, Arendt of Habermas bestuderen is en blijft een frivole, linkse hobby, aldus de communis opinio.

Filosofie is overal

„Ik studeer trouwens ook economie”, zeg ik uiteindelijk. Ik zie de opluchting in haar ogen. „Oh ja? Welke richting?” Filosofie ben ik er vast later „bij gaan doen”, zegt ze. Maar nee, het was precies andersom. De vertwijfeling keert terug. „Wat heeft economie nou met filosofie te maken?”

In gedachten vuur ik terug. Marx was toch zeker filosoof én econoom. Hij bouwde voort op Hegel, die zich weer afzette tegen Kant. De Amerikaanse filosofe Ayn Rand baseerde haar liefde voor het laissez faire-kapitalisme op Aristoteles en Nietzsche. Het neoliberalisme kent een rijke filosofische traditie het obsessief-compulsieve economisch modelbouwen heeft haar wortels in het wetenschapsfilosofische logisch-positivisme.

Filosofie is overal, snapt ze dat dan niet? De wereld zou in dogma’s vastroesten, zich blind staren op gebaande paden – zonder filosofie. Ze biedt visie, stelt vragen, geeft betekenis. Ze dwingt tot analyse, tot synthese, tot logica. Maar nee, de toepassing triomfeert. Alles voor een veredelde tomaat. Von Humboldt zou zich omdraaien in zijn graf.