Textiel als materiaal voor conceptuele kunstenaars

De combinatie van textiel en conceptuele kunst lijkt niet erg voor de hand te liggen. ‘Textiel’ roept associaties op met ambachtelijkheid, met typisch vrouwelijke arbeid en functionele voorwerpen, precies dus die dingen waar het bij conceptuele kunst niet over gaat. Een van de consequenties van het conceptualisme voor de beeldende kunst is, sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, dat een materiaal of techniek geen vanzelfsprekende betekenis meer heeft. Kunstenaar bedienen zich sindsdien van uiteenlopende materialen of technieken. Vaak zijn die materialen zelf tot onderwerp van het kunstwerk gemaakt, ze zijn ‘geconceptualiseerd’. De beeldende kunst bevindt zich sinds de jaren zestig in een ‘post-medium conditie’, aldus de Amerikaanse criticus Rosalind Krauss. Kunstenaars heten daarom niet meer ‘schilder’, ‘beeldhouwer’ of ‘videokunstenaar’, maar beeldend kunstenaar.

In Mönchengladbach is een internationale tentoonstelling gewijd aan weefsels als materiaal voor conceptuele en abstracte kunstwerken. De geëxposeerde kunstwerken gaan over de typische eigenschappen van het weefsel zelf, zoals schering en inslag, de opbouw van horizontalen en verticalen of het rasterpatroon.

Midden in de grote entreezaal op de begane grond hangt een beweegbare sculptuur, Textiele elementen in de ruimte (1970/72), van de Duitse kunstenaar Elsi Giauque (1900-1989). Zij studeerde in de jaren twintig aan het Bauhaus bij textielkunstenaar Sophie Taeuber-Arp. Als een van de eersten maakte Giauque ruimtelijke objecten van textiel, waar de bezoeker doorheen kan lopen. Door gekleurde draden om metalen frames te wikkelen en daar met behulp van kruisende draden abstracte patronen in te weven, ontstonden verschillende gradaties van transparantie.

Aan de wand ertegenover hangen drie monochrome werken uit 2012 van Willem de Rooij (1969), die zocht naar de meest gelijkmatige overgang van blauw naar zwart die met de weeftechniek mogelijk is. Twee identieke monochromen hing hij een kwartslag ten opzichte van elkaar gedraaid op, zodat subtiele verschillen ontstaan in kleur en lichtval.

Vincent Vulsma (1982) kopieerde met een handscanner een lap chintz met bloempatronen uit achttiende-eeuws India. Met behulp van een computergestuurd jacquard-weefgetouw maakte Vulsma twee keer een kopie van de lap. De afmetingen zijn bepaald door het maximale bereik van de scanner. De nieuwe digitale weefstructuur vertoont de onregelmatigheden die veroorzaakt zijn door het handmatige scannen.

Tot zover is de tentoonstelling interessant en samenhangend. Maar de expositie, die vrij beperkt van omvang is, wil nog veel meer, te veel. Geruite tafelkleden van Bauhauskunstenaars vertegenwoordigen het begin van de geschiedenis van textiel en de abstracte kunst. Een andere lijn is de feministische Fibre Art-beweging, met kunstenaars als Leonor Tawney, Magdalena Abakanowicz en Sheila Hicks. Zij bevochten een onafhankelijke artistieke status voor de textiele kunst, als onderdeel van een feministisch programma. Hun monumentale, organische textiele sculpturen uit de jaren zeventig wijken af van de conceptuele stroming die de hoofdlijn van de tentoonstelling zou zijn. Dat geldt ook voor de expressieve, symbolisch beladen installatie Behold (2009) van de Indiase kunstenaar Sheela Gowda, met touwen van geknoopt mensenhaar.

Helemaal verwarrend wordt het met de – op zichzelf prachtige – geruite linnen theedoeken van Kitty van der Mijll-Dekker uit de jaren dertig, oude koptische weefsels en half verteerde achttiende eeuwse textielfragmenten uit de verzameling van Seth Siegelaub. Stuk voor stuk zijn het interessante objecten, maar wat ze in dit verband doen is onduidelijk en de bezoeker is het zicht op het onderwerp van de tentoonstelling dan allang kwijt. Jammer, want het thema is goed en zou, wanneer het met meer precisie en diepgang wordt uitgewerkt, een belangwekkende expositie op kunnen leveren.