Nieuwe kleren voor de keizer

Hollywood is dol op de glamour van de modewereld. Maar zet wel altijd z’n satirische bril op.

Hoe hebberig je ook wordt van die schoenen, tasjes, samples en jurken, jurken en nog meer jurken die in The Devil Wears Prada (2006) een hele verdieping van het kantoor van modetijdschrift Runway in beslag nemen. Hoe verleidelijk de rokken met petticoats ook ruisen die modeontwerpster Lauren Bacall in klassieker Designing Woman (1957) uit haar potlood laat vloeien. Hoe foxy de futuristische outfits ook zijn van de modellen voor de lens van fotograaf Thomas in het Swinging London van Blow-Up (1966).

Hebzucht, verleiding en seks mogen de steekwoorden zijn waarmee de filmwereld steeds weer de modewereld beziet, niemand deed dat beter dan regisseur Robert Altman in zijn modesatire Prêt-à-porter (1994). In de grote finale paraderen de modellen in de nieuwe kleren van de keizer over de catwalk. Inderdaad: poedelnaakt.

Het is altijd weer een gekke spanning tussen film en mode. De kleren van de sterren op de set en de rode loper bepalen het straatbeeld. We kleden ons als filmpersonages om even deel te hebben aan hun dromen en avonturen. Couturiers halen, zodra de filmstudio’s bellen, hun mooiste stoffen van zolder. Soms verschijnen er wel drie Coco Chanel-films in een seizoen. Hollywood glanst van toegevoegde modeglamour, maar als filmregisseurs de camera een halve slag draaien en naar de wereld van de haute couture kijken, kan dat kennelijk alleen met een satirische blik.

Films over mode geven ons gewone stervelingen in Kalverstraat-kloffie even de illusie deel uit te maken van een wereld buiten ons bereik. Wat dat betreft zijn we allemaal als Anne Hathaways journaliste Andy Sachs, die zich in The Devil Wears Prada van een lelijk eendje om laat toveren tot mooie zwaan, maar aan het einde ontdekt dat haar oude plunje toch het gelukkigste maakt – mits aangevuld met de juiste accessoires natuurlijk. Films die zich in de modewereld afspelen vergapen zich eraan terwijl ze er de draak mee steken, roepen om het hardst dat de nieuwe kleren van de keizer dit jaar nog mooier zijn, maar toch slechts de nieuwe kleren van de keizer zijn. Is dat jaloezie of moralisme?

Robert Altman lijkt van dat alles geen last te hebben in Prêt-à-porter. Deze film gaat namelijk niet echt over mode, en al helemaal niet stiekem over film (sommige modefilms die haute couture als leeg en oppervlakkig afschilderen, nemen eigenlijk de filmwereld op de hak; in de hogere regionen van het sterrendom lopen die werelden naadloos in elkaar over). Prêt-à-porter zet vrouwen als kleerhangers niet tegenover vrouwen met vlees op de botten die maar moeten hopen dat ze zich ooit in die waanzinnige creaties kunnen proppen. De film gaat over mensen achter de schermen: modellen, half-overspannen ontwerpers die hun collecties op tijd af moeten hebben voor de Parijse modeweek, reporters die trends spotten. De jurken, jassen en andere designerstukken spelen een bijrol, ze hangen op rekken. Dat kwam Altman destijds op kritiek te staan: zijn film zou een soort hatemail aan de mode-industrie zijn, schreef Time Magazine.

Inmiddels geldt Altmans film als een van de beste over de modewereld, juist omdat hij die uitkleedt. Zelfs modeshow The Devil Wears Prada is daar schatplichtig aan. Die film over Vogue-hoofdredactrice Anna Wintour speelde bij een tweede filmklassieker leentjebuur: Audrey Hepburns Funny Face (1957), waarin een schuchter meisje vamp wordt. In elke modeontwerper en filmmaker schuilt een Pygmalion.

Wat dat betreft was het amoralisme van Sofia Coppola’s recente The Bling Ring over een groepje tieners dat designerkleding uit de huizen van de sterren in Beverly Hills jatte, wel verfrissend. Die film speelt zich weliswaar niet in de modewereld af, maar gaat heel concreet over de gevolgen. Mode is verslavend. Maakt koopziek. Is bijna criminogeen. In ons allen schuilt een zwaan die wacht op zijn Le Dix-handtasje of zo’n zonnebril met schildpadmontuur als Carey Mulligan vorige week in Venetië droeg.