Column

Margriet Oostveen Investeren

De man, veertiger, droeg een goed overhemd en een paar mooie schoenen, die hij bij het zitten gaan in één beweging op de stoel tegenover hem zwaaide. Geen oude krant eronder. Schuin aan de overkant van de eersteklas treinwagon slaakte hij zo’n kortaf geërgerd zuchtje, waarmee mensen hun belangrijkheid een beetje luchten. Op schoot klapte zijn MacBook Air al open, hij pakte de nieuwste iPhone uit zijn zak en begon daarin nu over geld te praten.

Investeren of niet investeren, dat was de vraag. Niet voor hemzelf, maar voor de persoon aan de andere kant van de lijn.

„Nou kijk”, zei de man, „ík vind het een leuke club. En stel dat je oneindig geld hebt, dan wordt het de volgende ronde ook niet goedkoper.”

Losse toon, laten blijken dat we de zaken helemaal in de hand en bijna in de pocket hebben.

„Het zal echt láchen zijn als deze ook de honderd haalt. Dan heb je 30 procent voor een miljoen of zo.”

„Ja, ja, dan moeten deze jongens het wel goed doen, ja.”

Nu begon onze investeerder te fluisteren. Ik hing al uit mijn stoel, als financieel onbenul immer bereid wat voorkennis door te geven. Toen schoot de naam van de „jongens” in zijn enthousiasme toch nog hard uit zijn keel: „NTI.”

NTI!? Wat nu weer? Toch niet het Nederlands Talen Instituut, die brave instelling waar online taalcertificaten, hbo-diploma’s, en masters in management te halen zijn? Maar opende Jet Bussemaker niet net het academisch jaar met de voorspelling dat studiefinanciering gewoon té yesteryear is en online colleges de toekomst hebben? Ons, zei de minister, staat namelijk „een enorme doorbraak” te wachten van „massive open online courses”: kijk maar naar India, waar de online Khan Academy wereldwijd zes miljoen gebruikers heeft.

Massive open online courses. Dat klonk zo heerlijk, zo kosmopolitisch, zo, nou ja, massive.

„Ik denk dat brand building wel heel belangrijk is”, zei meneer investeer. En: „Daar moet gewoon een campagne tegenaan.”

Welja. Wat brand building en dan huppakee. Niet zeiken: zaken!

Nu stampte opeens een vrouw door de wagon, onuitstaanbaar assertief en toch onhandig, want op hoge enkellaarsjes: „Zou iemand mij kunnen helpen? Tasje, pásjes, ik ben álles kwijt.” Een ondernemend verslaafde, netjes gekleed, ook al helemaal in de tijdgeest, maar helpen deed het niet.

Alsof de duvel ermee speelde ploften toen pal voor mij twee zachtjes pratende dames neer: in de vijftig en zo te horen beiden werkzaam op de financiële administratie van een onderwijsmoloch. Ze tobden gewetensvol over een geldstroom zus die ze van hun manager van potje vmbo zo naar potje havo moesten leiden, of vice versa – en of dat nou wel mócht. Eén van de twee oogde daarbij uitzonderlijk uitgeput: mantelzorg bij een stervende collega, zou ze later ook nog terughoudend zeggen, „anders deed niemand het”.

,,Anyway: woensdag zit ik dus in Lóndres!”, sloot meneer investeer toen af. „Grijp jij intussen in!”

Londen – de mantelzorgster keek even dromerig naar buiten. Maar zij was van de generatie die nog leerde spreken zonder uitroeptekens. En hij niet.