Jezus is niet gekruisigd, hij ligt in Kashmir

‘Vlug, ze kunnen elk moment hier zijn. We willen hier geen gevecht.” De fotograaf wordt gemaand zijn camera weg te stoppen. Mijn opschrijfboekje moet ook opgeborgen. En snel. Blijkbaar is het hier niet pluis, terwijl we ons toch bevinden op een plek vol erbarmen, namelijk bij het graf van Jezus Christus.

Volgens een eind negentiende-eeuwse theorie zou Jezus de kruisiging overleefd hebben en naar een hoog gelegen gebied zijn getrokken waar hij het paradijs vermoedde: de Kashmir Vallei. Nu is volgens velen de vallei, omringd door Himalaya-pieken, een gebied van goddelijke schoonheid. Lastiger te verklaren is hoe Jezus de duizenden kilometers tussen Palestina en Kashmir zou hebben afgelegd.

Srinagar, de zomerhoofdstad van de meest noordelijke Indiase deelstaat Jammu en Kashmir, is een godvruchtige stad. De bevolking is er overwegend islamitisch en hangt het soefisme aan: een tolerante, spiritueel georiënteerde tak van de islam. Hier, in Khanyaar, de oude binnenstad van Srinagar, wemelt het van de tombes van soefi pirs, heilige mannen die een spiritueel contact hadden verworven met god, vaak met gebruikmaking van bedwelmende dampen.

„Wij zijn geen extremisten”, zeggen de mannen die ons wegleiden van het graf. In het Westen wordt de opstand in Kashmir tegen het Indiase bestuur volgens hen ten onrechte gezien als een salafistische, al-Qaeda-achtige strijd. „Dat is Indiase propaganda”, menen ze. Over de gruwelijke acties in het grensgebied met Pakistan (dat net als India het gebied claimt), waar militanten soms de hoofden van Indiase militairen afzagen als trofeeën, willen ze niet praten. Ze zijn buurtbewoners en ze bewaken de tombe. Meer niet. Maar waarom mogen we dan niet naar binnen? Er hangt een groot slot op de deur.

Het lage gebouwtje heeft witte buitenmuren, bruine houten kozijnen en een opvallend groen geverfd puntdak dat uitloopt in een torentje van ongeveer een meter hoog. Er is een bord bij geplaatst met een in het Engels vertaalde soera uit de Koran. Jezus is gedood noch gekruisigd, staat er. De Koran erkent Jezus – Isa in het Arabisch – als een belangrijke goddelijke boodschapper die levend is teruggekeerd tot god. Elke suggestie dat hij op aarde begraven zou zijn, is voor moslims heiligschennis. Volgens de soefi’s van Srinagar ligt hier dan ook hun heilige Yousa Asaf. Met wat goede wil kun je in zijn voornaam ‘Jezus’ of ‘Isa’ ontwaren.

Dat deed Mirza Ghulam Ahmad, grondlegger van de islamitische Ahmadiyya-sekte, die diep gehaat wordt door veel moslims. In 1908 publiceerde hij Jesus In India, een opmerkelijk boekje vol creatief brongebruik. „Hij was een duivelszoon”, zegt een van de mannen. Ze nemen ons mee naar een kleermakerijtje op een steenworp afstand van de tombe. Daarvandaan zien we hoe een man van een jaar of 30 met een brede borstkas en een hippe zonnebril op, gezeten op een Royal Enfield-motorfiets die blinkt van het chroom, stopt bij het raampje van de tombe en het kozijn kust. Dan scheurt hij weer verder.

Voor wie moeten we eigenlijk bang zijn? Voor de jongens die de orde in de wijk bewaren, zeggen onze vrienden van de kleermakerij. Stenengooiers die doorgaans na het vrijdaggebed de strijd aangaan met de veiligheidstroepen en uit wier gelederen veel militanten voortkomen.

Nou, vooruit. We mogen even door het raampje kijken. Het staat open. Binnen staat achter een glazen wand een sarcofaag bekleed met groene kleden die met gouddraad zijn geborduurd. Aan de binnenkant achter de tralies, liggen rupeebiljetten. Ik leg een twintig-rupeebiljet neer, 25 eurocent. Een kwartje voor de zoon van god. Een van de mannen gebaart. Ik mag nu het kozijn kussen.

Aan de Pakistaanse kant van de grens, ergens in Lahore, moet nog een graf zijn dat wordt toegeschreven aan Maria. Hoewel ze al op leeftijd was, zou ze haar zoon op zijn barre tocht naar Kashmir begeleid hebben. Ze overleefde het niet. Ik kan niet wachten het te bezoeken.