Het verlangen op 8.848 meter te zijn

Direct nadat Hillary en Tenzing op 29 mei 1953 voor het eerst de Mount Everest hadden beklommen, was er gedoe Wie was het eerst op 8.848 meter? De berg is een fysieke beproeving, maar ook een stapel ideeën en projecties

Redacteur boeken

De kwestie kreunde onder de symboliek. Het plan om de Mount Everest te beklimmen dateerde al uit het begin van de twintigste eeuw, en moest de Britse macht in de regio onderstrepen. Tot 1953 waren alle pogingen tevergeefs geweest. Maar in het jaar waarin het eindelijk lukte, liep het Empire op zijn laatste benen. De beklimming van de Mount Everest, die één dag voor de kroning van Elizabeth II bekend werd gemaakt, moest de vermoeide wereldmacht nieuw elan geven. Dat de sherpa Tenzing misschien twee stappen eerder het ‘dak van de wereld’, de ‘derde Pool’, had bereikt, paste niet in wat de Royal Geographic Society het „warme gevoel dat we, the British, had got there first” noemde. Tenzing heeft de eer altijd aan Hillary gelaten, en de andere expeditieleden spraken terecht van een team effort, waarbij de top per definitie alleen bereikt kon worden door een duo, samen aan één touw.

Maar Hillary, als Nieuw-Zeelander een Brits onderdaan, zou er een ridderslag aan overhouden. Tenzing, die door Nepal en India als staatsburger werd opgeëist, niet. Eerbewijzen van de voormalige koloniale macht werden in India niet geaccepteerd. In Nepal gingen stemmen op om de berg om te dopen in Mount Tenzing. Toen de expeditie weer in Kathmandu kwam, hingen daar posters van Tenzing die een uitgeputte Hillary de berg op zeulde.

‘Deze stad is gek geworden’, schreef George Lowe, een van de klimmers, in Letters from Everest, die dit jaar voor het eerst in hun geheel werden gepubliceerd. ‘Ongelukkig genoeg is het allemaal politiek gekibbel over de superioriteit van de oostelijke rassen.’

Verticale keizerrijken

De episode laat mooi zien dat een berg ook een stapel ideeën en projecties is. Dat is de rode draad van The Summits of Modern Man; Mountaineering after the Enlightment, van de Amerikaanse cultuurhistoricus Peter Hansen. Dat is niet helemaal nieuw. Simon Schama schreef in Landscape and Memory (1995) ook al over wat hij ‘vertical empires’ noemde. En in Mountains of the Mind (2003) inventariseert Robert Macfarlane wat kunstenaars en bergbeklimmers sinds de Romantiek in dat landschap hebben willen ‘lezen’. Van mysterie en peilloze angst tot dodelijke liefde. Zoals de legendarische George Mallory, die in 1924 omkwam op de Everest, en van wie nooit is vastgesteld of hij de top heeft bereikt. Mallory’s gelooide vlees – ‘bleek als een marmeren atleet van Praxiteles’ – kwam 75 jaar later uit het ijs tevoorschijn. Maar zijn camera, die uitsluitsel zou kunnen geven, is nooit gevonden.

Hansens boek is een brede geschiedenis van het bergbeklimmen, waarin hij overtuigend laat zien hoe al die ideeën – over masculien individualisme, kunst en wetenschap, staatsvorming, nationalisme en imperialisme – sinds de achttiende eeuw zijn verknoopt. En, in een prachtig laatste hoofdstuk, hoe het idee van ‘de mens die over de natuur zegeviert’ ons parten blijft spelen in tijden van klimaatverandering, die de menselijke soort in verschillende opzichten tot bescheidenheid noopt.

Echo van Mont Blanc

Ooit waren de bergen terra incognita. Geen mens voelde behoefte er een voet te zetten. Het idee om als eerste een bergtop te beklimmen was iets fundamenteel nieuws. ‘De drang om de top te bereiken definieert de moderne mens’, schrijft Hansen.

De dichter Petrarca, die al in 1336 schreef over zijn beklimming van de Mont Ventoux, was dan de eerste van die nieuwe soort. Maar niet heus, schrijft Hansen. Want het was vooral wat negentiende-eeuwse cultuurhistorici zoals Jacob Burckhardt – niet toevallig een Zwitser – in hem wilden zien. Voor Petrarca was het uitzicht een aansporing om ‘naar binnen’ te kijken en God te zoeken. De negentiende eeuw kaapte Petrarca en plakte hem labels als ‘bergbeklimmer’ en ‘individu’ op.

Die ideeën zijn dus nog steeds niet uitgewerkt. De controverses rond de Everest-beklimming van 1953 zijn een echo van de eerste beklimming van de Mont Blanc in 1786 door Michel-Gabriel Paccard en Jacques Balmat, beschrijft Hansen in een meeslepend hoofdstuk. Wie was de eerste? Paccard of de arme steenbokkenjager die de geleerde de laatste meters hielp? De officiële verklaringen achteraf waarin ‘knecht’ Balmat docteur Paccard de credits gaf. De blijvende twijfel en de pogingen Balmat alsnog de eer te geven. En de ruzie over de vraag of de Mont Blanc nu een Zwitserse of Franse berg was.

Het heeft trouwens weinig gescheeld of Hillary en Tenzing waren niet de namen die we van ‘1953’ zouden onthouden. Ze vormden het reservekoppel en traden aan nadat het eerste koppel, Tom Bourdillon en Charles Evans, drie dagen eerder de top net niet had bereikt na problemen met hun zuurstofapparaat. ‘Het was pijnlijk te zien hoe Tenzings humeur betrok’, toen hij hoorde dat het eerste koppel onderweg was naar de top, schrijft medeklimmer en expeditiefotograaf Lowe in een brief.

Tenzing was in 1952 al twee keer vlakbij de top gekomen, met Zwitserse expedities. Juist daarom hadden de Britten hem ingehuurd. Maar voor Lowe was Tenzings houding volkomen in strijd met het idee van de gezamenlijke onderneming. In retrospectief kreeg hij bijna spijt ‘van alle opofferingen die we ons getroost hebben om T. boven te krijgen’.

Lowe, ook een Nieuw-Zeelander, is wel ‘de vergeten man’ van 1953 genoemd. Maar zijn rol was cruciaal in elke fase van de expeditie. Hij zette de moeilijkste stukken van de route uit en hakte de treden uit in de laatste ijswand onder de top. Lowe overleed in maart op 89-jarige leeftijd. Lowe schreef ook brieven aan zijn zuster Betty, die ondanks de berg memoires die Everest heeft gebaard nog steeds onthullend zijn.

Ze combineren de persoonlijke, soms intieme toon van een brief met eersteklas verslaggeving uit de voorste linies. Lowe is optimistisch en meestal vrolijk in zijn brieven, maar tussen de regels proef je soms ook: ik schrijf ook om iets achter te laten voor als ik niet terugkom. Dat was immers een reële kans. Wie nu het op zichzelf knappe werk van Times-verslaggever James Morris leest (die iets verder dan het basiskamp meereisde), beseft hoe noodgedwongen tweedehands dat is.

Diarree en constipatie

Lowe schrijft glashelder en zonder gêne. Over diarree en constipatie. Het knullige doden van een yak voor het vlees. ‘De Sherpa’s stonden op de helling erboven – op veilige afstand – klakkend met hun tong bij zoveel onervarenheid en wreedheid van de sahibs.’

Lowes brieven zijn een tijdmachientje. Alleen al het basiskamp lag hoger dan het plafond van de meeste passagiersvliegtuigen van die tijd. Lowe schreef met een vulpen en moest zijn inkt ontdooien (één lid van de expeditie had een ballpoint). Kleding was van wol, tenten van canvas.

Hoewel er sindsdien zeker 230 klimmers zijn omgekomen, lijkt de berg niettemin voor iedereen bereikbaar, nu ook tieners, invaliden, bejaarden en wie er verder maar voor betaalt – zo’n 35.000 euro – er een vlaggetje hebben geplant. ’Wij openden de deur’, zou Lowe later schrijven. Misschien moesten de mannen van ‘1953’ zich wel schuldig voelen, maar voor hemzelf ging het nooit om de ‘superlatieven’, schrijft hij – ‘het idee van een groots gevecht van mens en natuur’ – maar alleen ‘het verlangen daar te zijn’, ‘kameraadschap’ en ‘het overwinnen van je angst’, ‘stap voor stap’. Kom daar eens om in deze tijd, waarin expedities elkaar de tent uitvechten en klimmers hun stervende kameraden achterlaten (‘Hij wist wat het risico was’).