Het model dat in haar eigen staart beet

Lamme koopt blinde. Na een zeer kortstondig sprankje van vreugde keerde de stemming over de voorgenomen aankoop van Nokia door Microsoft gisteren razendsnel om. De koper is een voormalige softwaremonopolist, de Standard Oil van de desktopcomputer. Microsoft is op drift na de revolutie in de mobiele telefonie en de opkomst van Apple en Google. Topman Steve Ballmer kondige vorige maand zijn vervroegde vertrek aan en niemand weet echt goed hoe het verder moet. Het doelwit Nokia is eveneens een slachtoffer van de revolutie. Had een halve generatie geleden zo’n beetje iederéén een Nokia, nu worstelt het Finse bedrijf met een achterstand op Apple, Samsung en een handvol andere fabrikanten die alleen maar lijkt op te lopen.

Dat is slecht voor de moraal. Een bedrijf in de winning mood kan het alleen maar goed doen, een onderneming waar het minder goed mee gaat, raakt makkelijk in een spiraal naar beneden. Het is ook slecht voor de reputatie. Niet alleen Nokia, maar heel Finland was in de hoogtijdagen een voorbeeld voor de rest van de wereld. Infrastructuur, onderwijs, ondernemingszin: het kleine land in het noorden was een lichtend voorbeeld voor managementgoeroes en parlementariërs. Zij waren met zijn allen het Finse Model. Wij in Nederland hadden alleen Doutzen Kroes.

Maar waarop was dat eigenlijk gebaseerd? Hier betreden we het schemergebied tussen wetenschap en public relations. Gisteren publiceerde het World Economic Forum zijn jaarlijkse concurrentielijst van landen: het Global Competitiveness Report. Dat gaf enige commotie. Nederland blijkt dit jaar te zijn gezakt van een vijfde plaats op de wereldranglijst in 2012 naar de achtste plaats in 2013. Het kabinetsbeleid! De jansaliegeest! Hijs de stormvlag.

Vergeten is dat we in 2011 nog op de zevende plaats stonden en vorig jaar dus twee plaatsen stegen. Dat was tijdens het kabinet Rutte-I, dat aantrad in 2010 toen Nederland op de achtste plek stond. In 2009 stonden we nog op de tiende plek, waar we naartoe waren geduikeld vanaf de achtste plek in 2008. De bijbehorende concurrentiescore, die wordt opgemaakt uit tal van indicatoren, was dit jaar 5,42. Met die score zouden we in 2010 bijvoorbeeld drie plaatsen hoger hebben gestaan.

Wat leert dit ons? Vrijwel niets. Dergelijke lijsten worden naar eer en geweten opgemaakt door de mensen die er aan werken. Maar de methodiek is natuurlijk allesbehalve objectief. Het is een kwestie van smaak. Wat meet je, hoe zwaar laat je de verschillende componenten wegen? Dat geeft enorme potentiële verschillen die pas blijken als zij aan het oppervlak komen. In 1996, toen het World Economic Forum en het Institute for Management Development, die aan de lijst samenwerkten, ruzie kregen publiceerden zij elk hun versie. Op de één stond Nederland op de zevende plaats, op de andere op de zeventiende.

Het betekent niet dat dergelijke ranglijsten waardeloos zijn. Het Global Competitiveness Report is een van de bekendste internationale lijsten. De input is in wezen samen te vatten als de reputatie van een land: wat vinden ondernemers, beleggers en economen belangrijk. De output is eveneens de reputatie van een land. De ondernemers, beleggers en economen bekijken de lijst en zien daar hun eigen noties bevestigd. Aha! Ik wist wel dat ik er zo over dacht!

Er zijn wel meer van deze staartbijtende verschijnselen. Neem de Duitse ZEW-index, die de stemming over de Duitse economie weergeeft op de financiële markten. Als deze wordt gepubliceerd, dan reageren de financiële markten daar zelf weer op. Nee maar, we zijn kennelijk minder optimistisch geworden. Het kabinetsbeleid! De jansaliegeest! Hijs de stormvlag. En verkoop de posities.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.