Graaf je een verdraaid groot gat, zit-ie er niet in

Pete Larson en zijn team graven in opdracht naar dinosaurusskeletten Het Leidse museum Naturalis plaatste een bestelling voor een Tyrannosaurus rex Tot nu toe nog zonder succes

Pete Larson zoekt voor museum Naturalis naar een skelet van een Tyrannosaurus rex. foto Ilvy Njiokiktjien

Afgeknaagde Triceratopsbotten liggen verspreid door de prepareerruimte van het Black Hills Institute in de Amerikaanse staat Zuid-Dakota. Ze zijn het resultaat van een eerste poging van natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden om het skelet van een Tyrannosaurus rex aan de collectie toe te voegen. Het museum vroeg Pete Larson, dinosauruskenner en directeur van het Black Hills Institute te helpen bij het vinden van zo’n skelet.

Ieder opgegraven bot van de Triceratops laat zien dat er 65 miljoen jaar geleden wel degelijk een T. rex in de buurt geweest moet zijn. Geen scheen- of bovenbeenbot is meer heel. Met name de zachtere uiteindes blijken favoriet te zijn geweest bij het grootste vleesetende landdier dat ooit op aarde leefde. Onder de microscoop zijn één op één de tandafdrukken van de T. rex te zien in de groeven. Reusachtige drumsticks voor een al even grote eter.

„We vinden heel zelden staarten en poten van de Triceratops”, vertelt Larson. „De T. rex moet dol op ze zijn geweest. Ze maakten waarschijnlijk triceratopssoep, ingelegde staartjes en potenstoofpot. Grapje natuurlijk, maar de delen waar veel vlees aan zat, de poten en de ribben, zijn bijna altijd kapot.”

Larsons instituut prepareert dinosaurusbotten en maakt replica’s voor universiteiten en natuurhistorische musea over de hele wereld. Maar bovenal leidt Larson met zijn team expedities om dinosaurussen, al dan niet op bestelling, uit te graven. Dat doet hij in Zuid-Dakota, waar relatief veel resten van dino’s zijn gevonden, maar ook regelmatig in Montana en Wyoming. Zijn instituut wordt gebeld door boeren die op hun land iets zijn tegengekomen.

Heilige graal

Stellingkasten in drie opslagmagazijnen van het Black Hills Instituut liggen vol beenderen. Ook buiten de planken staan de prehistorische resten inmiddels overal. Op een van de tafels staart een sabeltandtijger met holle oogkassen de werkruimte in. De schedel is in de jaren tachtig uitgegraven, maar er is nog steeds geen tijd geweest om het prehistorische roofdier te prepareren. „Er is hier nog voor vijftig tot honderd jaar werk als ik er niet meer ben”, verzucht Larson.

Larsons specialiteit is het speuren naar de Tyrannosaurus rex. Een compleet skelet is de heilige graal, er is er nog nooit één gevonden. Ook Naturalis wil er graag één, als publiekstrekker. Maar tot nu toe is deze zoektocht, op een enkele uitgegraven poot na, zonder succes gebleven. „Helaas, het eerste stuk van het skelet was ook gelijk het laatste wat we vonden”, zegt Larson. Hij en zijn team zochten in Wyoming. „We hebben een verdraaid groot gat gegraven, maar hij zat er gewoon niet in. De rest is waarschijnlijk weggespoeld.” Deze maand wordt een nieuwe poging ondernomen, waar zegt hij niet.

De troostprijs in Wyoming was de vondst van de drie Triceratops. Skeletten van deze dinosaurus in musea zijn vaak samengesteld uit meerdere dieren. Naturalis zou het trio graag meenemen naar Nederland, maar het museum in Leiden en het Black Hills Instituut zijn het nog niet over de prijs eens.

De prijs van dinosaurusresten verschilt. Die hangt van de conditie van het geraamte af, de populariteit van de soort en de hoeveelheid werk die preparatie in beslag neemt.

De duurste dinosaurus die ooit is verkocht, was Sue, een onder andere door Larson uitgegraven, bijna compleet skelet van een Tyrannosaurus rex. Sue werd na een slepende rechtszaak geveild voor 8,36 miljoen dollar. Larson zag er geen cent van, de rechter wees de landeigenaar als rechthebbende aan.

Ja, je mag hem rustig dinosaurusmakelaar noemen, zegt Larson. Hij bemiddelt immers tussen landeigenaren en de musea. Maar op de vraag of hij rijk geworden is van de dinohandel, antwoordt Larson resoluut nee. „Ik woonde tot mijn vijftigste in een trailer. Soms leveren skeletten veel op, potentieel zelfs miljoenen, maar we hebben hele hoge personeelskosten. We hebben net weer twee slechte jaren achter de rug. We moesten terug van 35 naar 21 medewerkers.”

Larson heeft ook wel dinosaurussen geveild, maar zegt dat liever niet te doen. Hij wil het liefst dat dino’s beschikbaar blijven voor het publiek en voor de wetenschap. En dus puilen zijn magazijnen uit. „Ze zijn als kinderen voor ons”, zegt hij glimlachend. „We vinden graag goede huizen voor ze.”