Geklungel Cameron mag niet tot Brits isolationisme leiden

‘Daden van genocide kunnen nooit alleen een binnenlandse aangelegenheid zijn’, zei de toenmalige Britse premier Tony Blair in Chicago in 1999 tijdens zijn baanbrekende toespraak over morele argumenten versus het principe van soevereiniteit. Daarmee trok hij president Clinton vermoedelijk over de streep voor een militaire ingreep in Kosovo.

Maar als president Assad van Syrië straf krijgt voor het gebruik van gifgas tegen zijn bevolking, doen de Britten voor het eerst in lange tijd niet mee aan zo’n internationale operatie. Premier David Cameron drukte een stemming daarover door in het Lagerhuis, en kwam veertien stemmen tekort. Hoezeer hij de atmosfeer heeft onderschat, blijkt alleen al uit het feit dat tien leden van zijn kabinet afwezig waren. En liefst dertig partijgenoten plus negen parlementariërs van de liberale coalitiegenoot lieten hun premier vallen.

Cameron wijst sindsdien naar Labour, dat nog steeds zou worstelen met het ‘trauma van Irak’ en de nooit gevonden massavernietigingswapens van Saddam die Blairs casus belli vormden. Toch nam Ed Miliband, de huidige Labour-leider, in het debat een verstandige positie in. Hij was geen principieel tegenstander van ingrijpen, zei hij, maar wilde geen steun uitspreken zolang de VN-inspecteurs nog aan het werk waren en het bewijs dun leek. Een minder overmoedige Cameron had de stemming uitgesteld (en later gewonnen).

In de uitslag wordt nu van alles gelezen. Dat Cameron is beschadigd. Dat Amerika niet langer op zijn trouwste bondgenoot kan rekenen. En, ten derde, dat het voormalige Empire zich definitief op een eiland heeft teruggetrokken.

Cameron heeft inderdaad onnodig steken laten vallen in het politieke handwerk, waardoor zijn bewegingsvrijheid in het Syrië-dossier nagenoeg nul is. Of de sinds Churchill gekoesterde special relationship met de VS op het spel staat valt te bezien. Alles wijst erop dat de Britse weigering president Obama een adempauze heeft gegeven om steun te vergaren. Ook hij worstelt met de publieke opinie, het Congres en een sceptische legertop. En als Irak één ding heeft aangetoond, is het dat steun van vrienden níét blind moet zijn.

Voor nostalgici is dit een reality check: het Verenigd Koninkrijk is een middelgrote Europese democratie die zijn belangen in de wereld niet langer kan afdwingen, maar nog steeds nuttige invloed kan aanwenden – diplomatiek en, ja, soms ook militair.

Het zou dom zijn als ditzelfde parlement de Syrië-uitslag zou uitleggen als aansporing voor verder isolationisme, bijvoorbeeld door een Britse terugtrekking uit de Europese Unie. Europa noch de Verenigde Staten zijn daarbij gebaat. Zoals Blair zei: we zijn nu allemaal internationalisten. Dat vindt Cameron ook. Maar dan kan hij zich geen verdere nonchalance meer permitteren.