Column

China’s groei is geen feit, maar een mening

Hij leek tot nu toe vooral symbolisch, de vraag wanneer de opkomende landen de koppositie overnemen van de gevestigde industrielanden en dan vooral Amerika. De maatstaf is hier de omvang van het bruto binnenlands product (bbp). In absolute termen belandde China vorig jaar op een bbp van omgerekend ruim 8.200 miljard dollar, tegen meer dan 15.700 miljard voor de Verenigde Staten. Het gat lijkt groot, maar als de Chinese economie met 9 procent blijft groeien en de Amerikaanse met 2,5 procent, dan is het in 2023 al gedicht. Als China 7 procent per jaar groeit en de VS 3 procent, wordt het 2029.

Maakt het wat uit wie de grootste heeft? Voor zetelverdelingen in internationale gremia niet, voor (militaire) macht en aanzien wel. Maar het bbp wordt pas écht interessant in combinatie met andere grootheden. Schulden en begrotingsbalansen worden uitgedrukt als percentage van het bbp, omdat daarmee duidelijk wordt of de lasten te dragen zijn.

Nu zich in China een groeiend schuldprobleem openbaart, van overheden tot burgers en bedrijven, wordt de omvang van de economie dus opeens cruciaal. Het antwoord op de oude vraag of er wel iets klopt van het Chinese bbp is niet langer academisch. Er gaat veel, zeer veel, van afhangen.

Het meten van economische groei gaat grosso modo als volgt: de statisticus ziet een toename van de economische activiteit, in China gemeten in de nationale munt, de renminbi, en berekent daaruit de ‘nominale’ groei. Vervolgens calculeert hij hoe groot de tussenliggende prijsstijging, de inflatie, was. Hij trekt die af van de nominale groei en krijgt zo de ‘reële’ groei, het percentage dat we doorgaans de ‘economische groei’ noemen.

Het wordt hier duidelijk dat hoe lager de inflatie, hoe meer ‘economische groei’ resteert. Het onderschatten van de inflatie leidt dus tot het overschatten van de groei. Econoom Christopher Balding van de Universiteit van Beijing liet er eerder deze maand een calculatie op los. Hij vermoedt grootschalige manipulatie van de huizenprijzen in Chinese inflatiestatistiek. Volgens die statistiek zijn de huizenprijzen in de grote steden slechts met 6 procent gestegen in de gehele periode van 2000 tot 2010. Huurders betaalden 50 procent meer dan in 2000, maar omdat een onwaarschijnlijk lage 12 procent van alle Chinese huishoudens officieel als huurder wordt bestempeld, klinkt deze prijsstijging nauwelijks door in de inflatie.

Als je de werkelijke huizenprijzen zou doorberekenen, stelt Balding, dan was de gemiddelde inflatie elk jaar 1 procent hoger uitgevallen. Cumulatief komt dat op zo’n 10 procent, en dat is dan ook het percentage waarmee het bbp is overdreven. Dat komt overeen met zo’n 800 miljard dollar.

Het kan nog veel erger worden: China had tussen 2000 en 2011 een gemiddelde officiële inflatie van 2,43 procent. Dat is lager dan die van de VS. Is dat denkbaar in een economie die met zo’n 9 procent per jaar groeit? Nee, zegt Balding. Zelfs als je de door hem uitgerekende extra procentpunt inflatie optelt bij het officiële cijfer, lijkt het nog te laag. Zeker ook gezien de tussentijdse groei van de geldhoeveelheid. En er zijn nog veel meer bedenkingen, waarover later zeker meer. China’s groei is geen feit, maar een mening. Laten we hier voorlopig afsluiten met een diner van Li Keqiang, de huidige premier van China. In 2007, toen Li nog hoofd was van de Partij in de provincie Liaoning, at hij met de Amerikaanse ambassadeur Clark Randt. Diens vertrouwelijke verslag van de ontmoeting lekte later uit via WikiLeaks en Reuters.

Li vertrouwde Randt die avond toe dat hij slechts keek naar elektriciteitsverbruik, goederenvervoer per spoor en bankkredieten. Uit Randts verslag: „Alle andere statistieken, vooral die over het bbp, zijn slechts referentiewaarden, glimlachte Li.” Aldus het verslag van de ambassadeur.

Het was al eng. Li’s glimlach maakt het er niet beter op.