‘Zelfs kamelen kunnen hier niet overleven. Maar Syriërs wel’

Een vluchteling uit Aleppo met zijn negen weken oude zoon in het vluchtelingenkamp Zaatari in Jordanië. Foto EPA / Christoph Sator

De UNHCR maakte eerder vandaag bekend dat er inmiddels twee miljoen Syriërs naar het buitenland zijn gevlucht. Zo’n 120.000 van hen zitten in Za’atari, een vluchtelingenkamp in het noorden van Jordanië, vlakbij de Syrische stad Dara’a. Een journalist van The New Yorker was er deze zomer en schreef op wat hij er zag.

Hij sprak er bijvoorbeeld met Fatima, een vrouw die bij een raketaanval op haar dorpje haar twee zonen kwijtraakte en nu zonder haar man en met twee gewonde dochters in het kamp zit. En hij zag een achtjarig jongetje dat riep dat hij ‘Bashar z’n kop wil inslaan’.

Er zijn berichten van verkrachtingen en prostitutie. Sommige moeders verkopen hun vijftien-, zestienjarige dochters aan oudere mannen, zodat de meisjes in ieder geval het kamp uit kunnen.

Het vluchtelingenkamp Za’atari opende in juli 2012 en had in augustus al 15.000 bewoners. In de afgelopen twaalf maanden werden dat er 120.000. Alleen vluchtelingenkamp Dadaab in Kenia is groter. Auteur David Remnick schetst een aangrijpend beeld van een uitzichtloze situatie. Het enige wat ze nog hebben, schrijft hij, is de ‘noodzakelijke trots’ dat ze deze omstandigheden aankunnen.

“Everyone has lost his country, his home, his equilibrium. Most have lost a family member or a close friend to the war. What is left is a kind of theatrical pride, the necessary performance of will. ‘This place is a graveyard for camels,’ a refugee in his thirties named Ahmed Bakar told me one morning. ‘Camels can’t even live here. But Syrians can.’”

Lees het hele verhaal van David Remnick op de site van The New Yorker (7.360 woorden, ongeveer 33 minuten leestijd).