Verkeerde verzekering

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Maar vorige keer kreeg ik het zonder problemen”, zegt de dame voor mij in de rij bij de apotheek zacht. De apotheek bevindt zich in een hoekje van Wegmans, een gigantische supermarkt, ergens tussen de groente en de vleeswaren. Naast ons staan zeker zes schappen met benodigdheden voor diabetespatiënten. Ik schat dat er zo’n veertig verschillende soorten en maten bloedglucosemeters te vinden zijn. Het meisje achter de balie, met helblauwe mascara en een hoge paardenstaart, staart haar aan zonder ook maar één keer te knipperen.

De dame, ik schat haar midden vijftig, is zo iemand die je alleen opmerkt wanneer het onvermijdelijk is, zoals nu. Ze frunnikt aan de gescheurde riem van haar tas, een voddig ding, maar als ik nog eens kijk, zie ik dat het een echte Chanel is. Haar kapsel is een ramp. De bruine kleur is gelijkmatig uitgegroeid, zodat er een kroon van stug wit haar rond haar kruin zit. Verder een verschoten blouse, boven een te strakke Burberry-rok. Aan haar voeten supermarktslippers met een roos bovenop.

Naast haar is een Chinese man gaan zitten, voor een apparaat om gratis je bloeddruk te meten. Hij ontbloot zijn bovenarm. Ik zie zweetdruppels in de nek van de vrouw verschijnen.

Ik vermoed dat ze ooit een ander leven leidde. Een waarin ze er goed uitzag, een waarin ze zich geen zorgen over geld hoefde te maken. Ik zie haar voor me, een paar kilo lichter, haar schouders gerecht, in een elegante jurk, wachtend op haar geliefde. Opgestoken haren, Manolo Blahniks aan haar voeten, een glas Moët & Chandon in haar rechterhand.

„Ik kan u het medicijn niet geven”, herhaalt het meisje, alsof ze in gesprek is met een onwillig kind. De schouders voor me spannen zich.

„Alstublieft”, smeekt de vrouw.

„U hebt de verkeerde verzekering”, zegt het meisje luider dan nodig is. „Deze vergoedt geen antidepressiva.”

„Maar de laatste keer kreeg ik het wel”, fluistert de dame. Het bloeddrukapparaat begint te zoemen.

Het meisje zucht: „Ik kan er niets aan doen. Mijn computer zegt dat ik de medicatie niet mag afgeven. Tenzij u betaalt.”

Er valt een stilte. Ergens verwacht ik dat haar geliefde van toen opeens uit de rij naar voren stapt en zegt: „Er moet een vergissing in het spel zijn. Die verzekeringspapieren komen heus in orde. Ik schiet het geld voor. Geef haar nu maar die medicijnen.”

Maar niemand, ook ik niet, doet iets.

„Volgende persoon”, zegt het meisje zo hard dat ik ervan schrik.

Mijn beurt. Ik moet voorbij deze dame met de witte plek op haar kruin. „Neem me niet kwalijk”, zeg ik als ik bij het naar voren stappen per ongeluk tegen haar schouder bots. Schielijk doet ze een stap opzij, richting een tafeltje waarop een smoezelige People ligt. Het bloeddrukapparaat print ratelend het resultaat uit. De Chinees stopt het in zijn portemonnee.

„Hier is je medicijn”, zegt het meisje geforceerd glimlachend nadat ze mijn naam in de computer heeft gevonden, en ze stopt het doosje in een plastic tas. Heel even voelt ze aan haar paardenstaart, terwijl ze vermijdt naar de vrouw te kijken die zich met een hand aan de tafel vastklampt.

„Volgende”, zegt ze.

Lang nadat ik weer buiten sta, ruik ik nog steeds de geur van angstzweet die om de vrouw met de Chanel-tas hing.