Telkens een nieuw kabinet, dat roept vragen op

Tweede Kamerleden stellen steeds meer Kamervragen Om iets aan de kaak te stellen, of om de media te halen De roerige politieke tijden zijn ook oorzaak van alle informatieverzoeken

Hoewel Nederland met gevechtstroepen uitrukt, is Mali géén vechtmissie, benadrukten de ministers. Foto AFP

Verslaggevers

Of Dijsselbloem kan voetballen, wilde de PVV laatst van de minister van Financiën weten. „Zo ja, wat zou uw marktwaarde zijn en met hoeveel zou de Nederlandse staatsschuld kunnen dalen als we u zouden verkopen aan bijvoorbeeld FC Knudde?”

Het was de uitsmijter van een setje schriftelijke Kamervragen over de transfer van voetballer Gareth Bale, van Tottenham Hotspur naar Real Madrid. Real betaalde 99 miljoen euro voor Bale. Wilders maakte een bruggetje van de schulden van Real bij de Spaanse bank Bankia naar de Nederlandse belastingbetaler. Die heeft immers via Europese noodfondsen meebetaald om Bankia overeind te houden. Dus wat gaat Dijsselbloem doen om te voorkomen dat Spaanse banken met Nederlands belastinggeld gokken op de transfermarkt van het voetbal? De antwoorden van het ministerie van Financiën zijn nog niet binnen – ongetwijfeld broeden Dijsselbloems ambtenaren op even geestige antwoorden. Maar de meeste media die over deze Kamervragen een berichtje maakten, zochten tóch even de kosten van het beantwoorden van een Kamervraag erbij op. RTL Nieuws schreef als laatste zinnetje in een bericht: „Het ministerie van Binnenlandse Zaken berekende in 2011 dat het beantwoorden van een Kamervraag 3.750 euro kost.” Suggestie: met zo’n grappige vraag gaat óók belastinggeld verloren, Wilders.

Serieus verzoek om informatie

De PVV is kampioen suggestieve, humoristische of vooringenomen Kamervragen stellen. Maar het overgrote deel van alle 2.586 Kamervragen die parlementariërs afgelopen jaar aan bewindspersonen stelden, bevatte een serieus verzoek om informatie, toelichting of een concreet standpunt van het kabinet.

Vanwege de controlerende functie van Kamervragen vindt Henk van Gerven, de SP’er die afgelopen jaar de meeste vragen stelde van alle Tweede Kamerleden, dat de kosten van de beantwoording ervan niet relevant zijn. „Wij moeten als parlement ons werk kunnen doen. Een Tweede Kamerlid heeft één of twee medewerkers, op een ministerie werken duizenden ambtenaren. Het zou idioot zijn als wij ons beperkt voelen vanwege de kosten.”

Is de stijging van het aantal Kamervragen in de afgelopen jaren een uiting van méér parlementair activisme, of vooral een gemakkelijke manier om je als Tweede Kamerlid bij de media in de kijker te spelen? Naar de achterliggende oorzaken van die stijging is nooit onderzoek gedaan. Henk van Gerven denkt dat de „onzekere tijden waarin we leven” als factor meespelen. „Elke twee jaar een nieuw kabinet, dat betekent weinig zekerheden over beleid.”

Weinig tijd om zich te bewijzen

De hoge omloopsnelheid van kabinetten afgelopen jaren heeft ook de druk op Tweede Kamerleden vergroot om zich meer te profileren. Ze hebben weinig tijd om zichzelf te bewijzen, en Kamervragen stellen is een relatief laagdrempelig instrument om van je te laten horen. Een linkje naar de vragen op Twitter zetten en voilà, je kritische blik staat online. Andere partijen zijn niet nodig voor steun, zoals bij een debat wel het geval is. En je hoeft niet naar de interruptiemicrofoon te lopen in de plenaire zaal.

De SP-fractie staat de afgelopen jaren steeds bovenaan het lijstje met grootste vragenstellers. Als volkspartij combineert de SP het fanatiekste haar rol als volksvertegenwoordiger – wat speelt er in de samenleving? – met haar werk als controleur van de regering. Oppositiepartijen stellen sowieso vaker Kamervragen dan coalitiefracties; zelfs twee keer zo vaak, bleek in 2005 uit onderzoek. Iedere oppositiefractie heeft zo zijn ‘vaste’ dossiers: de PVV vraagt naar Europa of immigratie, de SP naar zorg en de ChristenUnie en SGP geregeld naar medisch-ethische dilemma’s.

Politiek instrument

En natuurlijk is de Kamervraag ook een politiek instrument. Van Gerven geeft toe dat hij soms vragen stelt waarvan hij het antwoord al weet. Om „dingen bloot te kunnen leggen”, niet om zichzelf te profileren. „Ik ben niet mediageniek. Als je Renske Leijten en mij naast elkaar zet, blijft iets beter hangen als Renske het vertelt.”

De goede vragen stellen is een kunst op zich, weet Gerard Schouw van D66, nummer negen uit de toptien. „Altijd gesloten vragen stellen, die zo exact en concreet mogelijk zijn. Alleen dan dwing je de verantwoordelijke bewindspersoon ook tot precieze antwoorden.”

Schouw probeert nooit om opvattingen van de regering als antwoord op zijn vragen te krijgen, maar is op zoek naar feiten. „Bij grotere onderwerpen moet je soms een half jaar peuren, en nog eens vragen stellen, maar dan kom je wel ergens.” Als voorbeeld geeft Schouw hoe hij naar boven kreeg dat het ministerie van Veiligheid en Justitie bezig is met de ontwikkeling van een soort drone-politie, een aparte afdeling binnen de nationale politie die zich met de inzet van onbemande vliegtuigjes gaat bezighouden. „Dat stond nergens in officiële stukken, maar ik kreeg aanwijzingen dat zoiets gaande was.”

De media pikten de antwoorden van minister Opstelten op Schouws vragen over de drones breed op – dat is eerder uitzondering dan regel. En volgende week houdt de Tweede Kamer een hoorzitting over de drones: over de kosten, privacyrisico’s en wie eigenlijk over de inzet van de vliegtuigjes gaat. „Zo heb ik een casus opgebouwd en heeft vragen stellen dus zin.”

Veel vaker gebeurt het omgekeerde en komen er Kamervragen naar aanleiding van berichten uit kranten of televisie-items. Het aantal vragen gebaseerd op mediaberichten steeg ook sterk, de voorbije jaren. Bij sommige fracties doen medewerkers en Kamerleden dagelijks een ‘rondje’ kranten en journaals, om te zoeken naar geschikte Kamervragen. Dat wekt de indruk dat Kamerleden, die toch ook voeling met de samenleving horen te houden, dat vooral doen vanachter een kop koffie en via de krant.

Samenwerken met journalisten

Dat beeld klopt niet, vindt Sharon Gesthuizen, weer een SP’er uit de toptien. Zij vertelt dat verwijzing naar berichtgeving uit de media soms ook afgesproken werk is. Ze werkt zelf „zo veel mogelijk” met journalisten samen om aandacht voor ‘haar’ onderwerpen te kunnen krijgen. Ze speelt soms mails van mensen met problemen door aan journalisten. Laatst bijvoorbeeld, van een bedrijf dat slachtoffer was geworden van faillissementsfraude. „Ik kan dan wel vragen stellen over zo’n individueel geval, maar als een journalist een algemener stuk schrijft, of een groot item maakt, heb ik een betere aanleiding om vragen te kunnen stellen.”

Over de antwoorden van de bewindspersonen is Sharon Gesthuizen dan weer minder te spreken. Ongeveer één op de vier antwoorden is constructief, zegt ze, en nog eens een kwart geeft in elk geval duidelijkheid. „Maar ongeveer de helft is onbevredigend en flauw. Dan interpreteren ambtenaren de vragen expres verkeerd”, zegt ze. De oplossing ligt voor de hand. „Dan stel ik gewoon aanvullende vragen.”