Niemand is zomaar ‘ik’ in Den Haag

Het was even wennen, het eerste debat in de Tweede Kamer na acht jaar buitenlandverslaggeving. Als correspondent in Parijs kwam ik wel eens in de Assemblée Nationale, waar de afgevaardigden elkaar vaker beschuldigingen dan vragen toewerpen, en bij voorkeur recht in het gezicht: „Wanneer dat document kwijt is, zult u het wel hebben vernietigd toen u in de regering zat!”

In de Tweede Kamer blijft ‘u’ het voorrecht van de voorzitter van de vergadering. ‘Jij’ staat niet in het Haagse woordenboek. Kamerleden en ministers spreken elkaar nog altijd in de derde persoon aan. Op tv en in debatzalen mag het er dan losser aan toegaan – premier Rutte haalde er gisteren in de Rode Hoed zijn moeder bij om zijn optimisme te verklaren. Maar in de Kamer zijn de mores formeler dan in het Franse parlement. In het overleg over ingrijpen in Syrië, vorige week, zou Han ten Broeke van de VVD nooit tegen zijn PVV-collega zeggen: „Ik geloof geen snars van je voorzichtigheid over Syrië, want Iran wilden jullie wel platbombarderen.” Hij zei: „Ik denk dat het goed is dat we van deze PVV-fractie vernemen dat zij afstand neemt van haar huidige politiek leider, die ooit wel Iran wilde platbombarderen.”

De hoogrituele Haagse vergadercultuur heeft de pleidooien voor ‘nieuwe politiek’ glansrijk overleefd – op een enkel incident na. „Doe eens normaal man!” had natuurlijk moeten zijn: „Voorzitter, kan de premier eens normaal doen!”

Nu is er veel te zeggen voor omzichtige, formele omgangsvormen in het algemeen, en in de politiek in het bijzonder. Het drukt respect uit voor pluriformiteit, bevordert het gebruik van argumenten en ontmoedigt schelden. Het past ook bij een zekere politieke cultuur. Kamerleden spreken namens fracties, ministers namens het kabinet: niemand is zomaar ‘ik’ in Den Haag. Een betoog zoals van Rutte gisteren over ‘visie’, gelardeerd met enkele persoonlijke anekdotes, stuit al snel op sarcasme. Want ‘ik’ en ‘visie’, dat zijn maar b-waarden bij een premier. Hij is vooral manager en hoofd verkoop van het kabinetsbeleid. Van belang is of dat beleid verstandig is, en steun krijgt van beide Kamers.

Maar waar kunnen politici dan hun idealen kwijt? Het ‘Haagse’ antwoord: in de beslotenheid van de partij. Daar vindt „een levendig debat” plaats, bezwoer PvdA-leider Diederik Samsom vorige week. Hij is in het defensief nu de ex-Kamerleden Bonis en Hilkens zijn opgestapt omdat ze bij in de PvdA-fractie geen ruimte zagen voor hun idealen. Naïef, wisten de insiders: de ‘harde werkelijkheid’ in de politiek is nu eenmaal dat je op je idealen vooral moet inleveren om iets te bereiken. Vooral als je lid bent van een regeringspartij, als minister of als Kamerlid.

Samsom kreeg van zijn fractie het verwijt te ongeduldig te zijn in het „meenemen” van de fractie bij moeilijke besluiten. Buitenstaanders kunnen het niet beamen: fractievergaderingen zijn besloten. En dáár gebeurt het nu juist. Daar wordt je en jij gezegd, daar lopen de meningen uiteen en de gemoederen op, terwijl iedereen, ten slotte, de uitkomst moet onderschrijven: het fractiestandpunt. In het openbare gedeelte van het politieke bedrijf, de Kamerdebatten en ‘media-uitingen’, gaat het alleen nog om de marketing van standpunten.

PvdA-partijvoorzitter Spekman wil aankomende Kamerleden nu vooraf gaan trainen. Kennelijk heeft hij vertrouwen in de toekomst. Toen de PvdA vorig voorjaar haar kandidatenlijst opstelde, boden de peilingen geen uitzicht op regeringsdeelname – dat leek eerder iets voor de SP. In de profielschets voor PvdA-Kamerleden lag de nadruk op het maatschappelijke geluid dat zij moesten laten horen. Als je die profielschets terugleest, valt op dat Désirée Bonis, die een Israël-kritischer Midden-Oostenbeleid wil, en Myrthe Hilkens, met haar kruistocht tegen seksuele uitbuiting, er uitstekend in pasten. Maar de PvdA had buiten zijn lijsttrekker gerekend, die zijn partij in twee weken campagne naar 38 zetels stuwde. En terugbracht naar het hart van Den Haag, waar openlijk politiek debat als risico geldt.