‘Na proefboring is winning amper tegen te houden’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Mileudefensie vorige week in een persbericht

De aanleiding

Rond de winning van schaliegas woedt een heftig debat. Aan de ene kant zijn er economische kansen, maar wellicht zijn er ook milieurisico’s. Milieudefensie is tegen winning van schaliegas en liet vorige week van zich horen in een persbericht. Daarin stond onder meer: „Als een bedrijf eenmaal een vergunning voor proefboringen heeft, is er bijna geen mogelijkheid om de verdere winning nog tegen te houden.” Lezer E. de Vet, wonend in Goirle – vlak bij beoogde boorlocatie Boxtel – vroeg ons deze bewering te checken.

Waar is het op gebaseerd?

Geert Ritsema, woordvoerder van Milieudefensie, zegt dat zij de bewering baseren op een uitspraak van de rechtbank van Den Bosch uit oktober 2011. De gemeente Boxtel wijzigde tijdelijk het bestemmingsplan zodat er proefboringen naar schaliegas konden plaatsvinden. Daartegen werd bezwaar gemaakt. De rechtbank oordeelde dat een tijdelijke ontheffing op het bestemmingsplan niet voldoende was. De tijdelijkheid van de vergunning kon niet bewezen worden, omdat de aanvrager van plan was om indien het economisch haalbaar was over te gaan tot boren om gas te winnen.

En, klopt het?

Schaliegas is in Nederland nog nooit eerder gewonnen. Wat er ‘normaal gesproken’ na een proefboring gebeurt kunnen we dus niet nagaan. Maar de procedures voor de vergunningen staan wel vast in de Mijnbouwwet.

Er bestaat niet zoiets als een proefboringsvergunning. Om te kunnen proefboren moet een bedrijf eerst bij het ministerie van Economische Zaken een opsporingsvergunning aanvragen. Die vergunning geeft het bedrijf het alleenrecht om voor een bepaald gebied een plan te maken om gas te winnen. Er wordt onder meer gekeken of het bedrijf dit financieel en organisatorisch aankan, of er een goed technisch plan is en of de veiligheid gewaarborgd is. Minister Kamp van Economische Zaken heeft in zijn Kamerbrief van 26 augustus toegezegd dat er voordat deze vergunning wordt afgegeven ook een zogenaamde milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd door het bedrijf. Hierin worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Een onafhankelijke commissie voor milieueffectrapportage beoordeelt die vervolgens.

Naast deze opsporingsvergunning moet er ook een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente waar de proefboringen zullen plaatsvinden. Die is nodig om het bestemmingsplan te wijzigen.

Over die omgevingsvergunning ging de uitspraak van de rechter in 2011 die Milieudefensie aanhaalde. De rechter oordeelde toen: Naar het oordeel van de rechtbank kan bij een boorlocatie, ook al gaat het louter om een proefboring, die wordt gerealiseerd met het oog op de mogelijke vestiging van een definitieve voorziening, niet gesproken worden van de voorziening in een tijdelijke behoefte, als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van de Wro. Dat de proefboring naar aard en op zichzelf tijdelijk is en dat de opgerichte bouwwerken na de proefboring op de locatie weer zullen worden verwijderd, betekent niet dat daarmee de tijdelijkheid van de boorlocatie is gewaarborgd. De rechtbank sluit hiermee aan bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2006. De uitspraak waar de rechtbank hier naar verwijst ging over ‘normale’ gaswinning.

De reden dat de tijdelijkheid van de voorziening niet gegarandeerd kan worden, ligt in het verdere verloop van de procedure . Als het bedrijf na de proeven besluit dat zij daadwerkelijk op die plek gas wil gaan winnen, dan moet er een nieuwe vergunning bij het ministerie aangevraagd worden: een winningsvergunning. Het proefboren verschilt niet wezenlijk van het uiteindelijke winnen van schaliegas. De voorwaarden die worden gesteld aan het bedrijf, de techniek en de veiligheid voor deze vergunning zijn dus ook niet heel anders dan voor de opsporingsvergunning. Als er geen gronden zijn om een vergunning te weigeren, dan kan de minister niet anders dan de vergunning verlenen. Als de Tweede Kamer in de tussentijd van mening is veranderd over de wenselijkheid van het winnen van schaliegas kan dat dus geen reden zijn om de winningsvergunning te weigeren. Dit kan wel als er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen over bijvoorbeeld de impact op het milieu, of als blijkt dat het economisch niet rendabel genoeg is. Voor deze vergunning moet een nieuwe milieueffectrapportage plaatsvinden. De Tweede Kamer heeft daarnaast altijd nog het instrument in handen om de Mijnbouwwet te wijzigen, als zij winning écht onwenselijk vindt.

Na het proefboren moet een bedrijf een winningsvergunning aanvragen. De voorwaarden daarvoor komen veelal overeen met de voorwaarden voor een proefboring. Als er geen grond is om de winningsvergunning te weigeren dan moet die ook afgegeven worden. Dat de Tweede Kamer het winnen van schaliegas toch liever niet heeft, zou dus geen geldige weigergrond zijn. Nieuwe feiten over de impact op bijvoorbeeld het milieu of de economie kunnen dat echter wel zijn. En de Tweede Kamer zou de winning altijd nog tegen kunnen houden door de Mijnbouwwet te wijzigen. Daarom beoordelen wij de stelling dat als een bedrijf eenmaal een vergunning voor proefboringen heeft, er bijna geen mogelijkheid is om de verdere winning nog tegen te houden als half waar.