In Alkmaar

Op het terras van Ons Café Prinsheerlijk op het Waagplein in Alkmaar scheen een mild zonnetje. Om ons heen waren nog allerlei tafeltjes onbezet. De serveerster, een koene, blonde Noord-Hollandse, verblijdde ons met de vraag: „Wat kan ik voor u betekenen?” Een vriendelijke vraag, maar zelfs de vriendelijkste vraag gaat irriteren wanneer hij te vaak gesteld wordt. Zodra je de bestelde consumptie had doorgeslikt, stond de blondine alweer voor je om haar vraag te herhalen. Om schuldgevoel te voorkomen bestelde je maar weer wat. Toch werd je steeds weer opgeschrikt door die schallende vraag die als vanuit een hinderlaag op je werd afgevuurd: „Wat kan ik voor u betekenen?”

We hebben hier te maken met een oprukkend verschijnsel in de Nederlandse horecawereld. Waar je vroeger als een kwalijk insect een poosje hardnekkig genegeerd werd, komt het personeel nu in actie zodra de bodem van glas of kopje in zicht is. Ze hebben het gekopieerd van de terrassen in de grote buitenlandse steden. Maar Alkmaar?

Niet dat ik iets tegen Alkmaar heb, integendeel. Het is een aardige stad met een mooi centrum. Grachten, ophaalbruggen, nauwe straatjes – ze geven de binnenstad intimiteit; echo’s van Delft, Leiden en Utrecht. Als in alle steden van Nederland staan er publiekelijk veel interessante huizen te koop. We liepen in de historische binnenstad door de Sint Annastraat, toen mijn vrouw de voor een stad ultieme testvraag stelde: „Zou je hier willen wonen?” „Ja”, zei ik. „Alkmaar is levendig genoeg, je hebt er alle belangrijke voorzieningen, je zit dicht bij de kust en je bent snel in Amsterdam.” „Maar zou je het ook doen?”, vroeg zij. „Nee! Want ik wil niet meer weg uit Amsterdam”, zei ik.

Daarover waren we het snel eens. Daarna maakten we een snelle ronde door de stad, die onze sympathie alleen maar verdiepte. Twee verschijnselen vielen me op die ik in andere Nederlandse steden zelden of nooit ben tegenkomen. Er loopt een mooi wandelpad over de stadswal, door het Kwerenbolwerk en het Kennemerpark. Daar staan oude bomen met naambordjes op de bast, zodat boomanalfabeten als ik niet meer hoeven te aarzelen: eik, beuk, es et cetera. Wat me nog meer voor Alkmaar innam, waren de vele verkeersborden die aangaven dat er wel fietsen, maar geen snorfietsen mochten rijden. Zouden de Amsterdamse bestuurderen nog eens zo veel moed kunnen opbrengen?

Alkmaar beschikt ook over een goed boekenantiquariaat, niet onbelangrijk voor mij. Het heet De Alkenaer (Ritsevoort 36), het is er klein en nauw en alleen de eigenaar weet de weg in de chaos van volle dozen en dubbelbezette planken, maar ik ga er altijd weg met meer dan ik gewild had. Ik vond er nu een mij onbekend Carmiggelt-boekje en ik kon kiezen uit een tot de rand gevulde Kousbroek-doos. Mijn dag was al goed.

We eindigden op het terras van café Het Gulden Vlies, vroeger een theater. Voordat mij daar de bekende terrasvraag kon worden gesteld, liepen we nog even naar de Rudi Carrellplaats er vlakbij. Er staat een borstbeeld van Carrell die als artiest ooit in Het Gulden Vlies debuteerde. Ervoor zaten drie jongens op een bankje; een Marokkaan, een Chinees en een Nederlander. „Hebben jullie enig idee wie Carrell geweest is?” vroegen wij. Ze schudden het hoofd. Wij deden onze vaderlandse plicht, ze luisterden aandachtig.

Hebben we toch nog iets voor Alkmaar betekend.

FRITS ABRAHAMS