Het kwaad is de kop ingedrukt – voor even

De heldinnen van filmmaker Jane Campion zijn mysterieus en sterk. Ze strijden tegen het kwaad dat mannen berokkenen. Zo ook de rechercheur die in de serie Top of the Lake de verdwijning van een meisje probeert op te lossen.

Er zijn thrillers die er een punt van maken om in alle onschuld op gang te komen. Deze niet. Deel 1 van Top of the Lake windt er geen doekjes om: een jong meisje loopt een enorm meer in. Ze wordt ingesloten door natuurschoon, door bergen met scherpe toppen, ondoordringbare wouden, steile rotsen. Ze baadt in schoonheid, zou je zeggen. Maar intussen vleit dat koude meer zich om haar schouders. Het meisje wankelt even. Traag beweegt haar hand, zonder teken van verzet. Integendeel. Ze wil dood.

Gebeurt niet. Het meisje wordt uit het water gehaald. Verkleumd, maar ze leeft. En de vijf maanden oude vrucht in haar twaalfjarige baarmoeder leeft ook.

Hoe komt die daar, wie heeft haar misbruikt? Ze wil het niet zeggen. Durf je het wel op te schrijven? vraagt de rechercheur die haar ondervraagt. Deze detective, Robin heet ze, komt van elders, ze logeert aan het meer, bij haar terminaal zieke moeder. Hun verhouding is gespannen. Dat ze, als specialist in werken met kinderen, de lokale politie haar hulp aanbiedt lijkt ook ingegeven omdat ze niet de hele tijd samen met haar moeder wil zijn. Er zit iets scheef tussen die twee, dat zie je meteen. Je weet niet wat het is, maar hun gewapende vrede verraadt al direct dat het iets groots is.

Robin schuift een pen naar het meisje. Dat schrijft iets op. Als ze weg is, kijkt de rechercheur in het kladblok. „No one’’, leest ze. Niemand.

Anderhalve dag later is het meisje verdwenen.

Tui heet ze. Ze is de dochter van een Thaise moeder, en woont bij haar criminele Nieuw-Zeelandse vader. Hij terroriseert de streek vanuit een huis als een fort. Hekken, wapens, grote honden. Twee volwassen zoons met wezenloze blikken van de dope en kaalgeschoren achterhoofden als voetvolk.

Wat je verwacht, gebeurt. De politievrouw Robin eigent zich obsessief het onderzoek van Tui’s verdwijning toe. Ze ontregelt de politiemacht met haar autoritaire gedrag, raakt slaags in het café en provoceert de vader van Tui en zijn getatoeëerde entourage.

Wie ben jij, een engel der wrake?, vraag iemand haar. „Nou, een engel, dat weet ik niet, hoor…’’ antwoordt ze. Dat van die wrake relativeert ze niet.

Robin identificeert zich niet voor niets met Tui. Ze heeft in deze contreien een verleden dat niemand graag opgerakeld ziet. En dat verleden moet linksom of rechtsom rechtgetrokken worden.

Top of the Lake zuigt ons mee en zal ons zes afleveringen van een uur later aan de kant schuiven. We staan paf. Er zijn slachtoffers gevallen. Er is een kankergezwel blootgelegd. En nu gaat het leven door, in het hardvochtige stadje aan de rand van dat uitgestrekte meer op het weergaloos mooie Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Is het kwaad uitgebannen? Dat suggereert niemand. Hooguit is het even de kop ingedrukt.

Top of the Lake is geschreven en geregisseerd door Jane Campion, Nieuw-Zeelands meest beroemde filmer met een gebeitelde reputatie. Zoals je kon verwachten maakte ze een tv-serie met de unverfroren allure van een speelfilm, die zes uur duurt. Met subplots die niks te maken hebben met de ontknoping en alles met een goed verhaal en gelaagde personages. Zelfs op Tui’s weerzinwekkende vader biedt Campion onverwachts een andere kijk. Niet dat hij er aardig van wordt, dat nou ook weer niet. Hij blijft onberekenbaar en vals. Maar je snapt dat er vrouwen voor hem vallen.

Het mooiste zijspoor vertelt over de leden van de club mishandelde of gewoon teleurgestelde oudere vrouwen die onder aanvoering van een goeroe hun kamp opslaan in het magische landschap. Uiteraard tot ergernis van de lokale mannen: „Ha! Een laag zelfbeeld! Word ik geil van!” Die mannen zijn vreselijk, met hun opgelegde gebrek aan gevoel en hun bavianengedrag. Maar de meesten van die vrouwen ook, met hun slachtoffergedrag en hun opdringerige gebrek aan gêne.

In Campions oeuvre is detective Robin verre van een vreemde. Net als de meeste Campionheldinnen is ze outsider en insider tegelijk. Daarmee ondermijnt ze een gemeenschap, wat haar niet in dank wordt afgenomen – zie de zwijgende vrouw in The piano (1993). Robin lijft mannelijke privileges in en behoudt zich daarbij het recht voor om vrouwelijk te blijven – zie de overschrokken zelfvernedering in The portrait of a lady (1996). Ze zoekt de kick van het onaanvaardbare risico – zie de vrouw en haar moordenaar in In the Cut (2003). En hoe vreemd ze ook gevonden wordt, zich aanpassen lukt haar niet – zie de biopic van schrijfster Janet Frame in An angel at my table (1990), en zie vooral Campions prachtige debuutfilm Sweetie (1989), over een mentaal zwakke jonge vrouw, die welgemoed haar familie uitwoont.

Als personage bouwt Robin voort op de vigilantes uit de succesrijke Scandinavische misdaadseries van de laatste jaren. Die vrouwen strijden eigenlijk altijd tegen het kwaad dat diep gefrustreerde mannen berokkenen – aan de wereld maar meestal in het bijzonder aan vrouwen en kinderen.

Echter, die verschuilen zich in contactgestoord gedrag, van Sarah Lund in The Killing tot Lisbeth Salander in Mannen die vrouwen haten. En dat is niks voor Jane Campion. Haar Robin is helemaal niet onsociaal, integendeel. Ze is tuk op contact. Ze is aantrekkelijk en ze hunkert naar verliefdheid.

Net als voor haar andere films vond Campion precies de juiste actrice voor haar: Elisabeth Moss. Inderdaad, Peggy Olsen in Mad Men. Daar speelde ze een leuk gekweld typetje. Campion zweepte haar op tot een spannend personage. Soms is ze kwetsbaar en doodsverachtend naïef. Soms onuitstaanbaar. Vaak is ze hardvochtig, defensief van motoriek en met ogen die iets vreselijks verbergen – en wel zo dat je móet weten wat. Maar nee, het is te erg. Je wilt het niet weten. Terwijl je weet dat je het te weten zult komen, of je het wilt of niet.

En waar is Tui toch?