Een goede Kamervraag legt zaken bloot

Er worden steeds meer Kamervragen gesteld, zo blijkt uit onderzoek dat vandaag verschijnt. Zijn ze nou écht nodig, of stellen Kamerleden ze alleen maar om zichzelf te profileren?

De Tweede Kamer is terug van het zomer reces. Marith Rebel (PvdA) schikt bloemen op haar nieuwe kamer. Ze vult de plek op van het in juni vertrokken Kamerlid Désirée Bonis. Foto David van Dam

„Ik heb Kamervragen gesteld!” Na een misstand die in een consumentenprogramma naar boven is gekomen, na nieuws uit krant of tv-item, is het voor Kamerleden soms het enige wat ze kunnen doen: opheldering vragen bij de regering. Het lijkt soms een Pavlovreactie, waardoor Kamervragen een hijgerig, negatief imago hebben gekregen. Wie kijkt er immers naar de antwoorden?

Toch bevatte het overgrote deel van de 2.586 Kamervragen die parlementariërs afgelopen jaar aan bewindspersonen stelden, een serieus verzoek om informatie, toelichting of een concreet standpunt van het kabinet. Het recht van Kamerleden om inlichtingen van de regering te krijgen staat in de grondwet, en het recht om schriftelijke vragen te stellen vloeit daaruit voort.

Vanwege die controlerende functie van Kamervragen vindt Henk van Gerven, de SP’er die afgelopen jaar de meeste vragen stelde van alle Tweede Kamerleden, dat de kosten van de beantwoording ervan niet relevant zijn. „Wij moeten als parlement ons werk kunnen doen. Een Kamerlid heeft één of twee medewerkers, op een ministerie werken duizenden ambtenaren. Het zou idioot zijn als wij ons beperkt voelen vanwege de kosten.”

Vandaag publiceert de Nederlandse Nieuwsmonitor in samenwerking met onderzoekers van de VU een onderzoek naar Kamervragen. Kamerleden stellen nu anderhalf keer zo vaak vragen als tien jaar geleden. Naar de achterliggende oorzaken van die stijging is nooit onderzoek gedaan. Henk van Gerven denkt dat de „onzekere tijden waarin we leven” als factor meespelen. „Elke twee jaar een nieuw kabinet, dat betekent weinig zekerheden over beleid.”

De hoge omloopsnelheid van kabinetten de laatste jaren heeft ook de druk op Tweede Kamerleden vergroot om zich meer te profileren. Ze hebben weinig tijd om zichzelf te bewijzen, en Kamervragen stellen is een laagdrempelig instrument om van je te laten horen. Een linkje naar de vragen op Twitter en voilà, je kritische blik staat online. En de Kamervraag is ook een politiek instrument. Van Gerven stelt soms vragen waarvan hij het antwoord al weet. Om „dingen bloot te kunnen leggen”, niet om zichzelf te profileren.

De goede vragen stellen is een kunst op zich, weet Gerard Schouw van D66, nummer negen uit de toptien. „Altijd gesloten vragen stellen, zo exact en concreet mogelijk. Alleen dan dwing je een bewindspersoon tot precieze antwoorden.” Als voorbeeld geeft Schouw hoe hij naar boven kreeg dat het ministerie van Veiligheid en Justitie bezig is met de ontwikkeling van een soort drone-politie, een aparte afdeling binnen de nationale politie die zich met de inzet van onbemande vliegtuigjes gaat bezighouden. „Dat stond nergens in officiële stukken, maar ik kreeg aanwijzingen dat zoiets gaande was.”

De media pikten de antwoorden van minister Opstelten op Schouws vragen over de drones breed op – dat is eerder uitzondering dan regel. Veel vaker komen er Kamervragen naar aanleiding van berichten uit kranten of televisie-items. Bij sommige fracties doen medewerkers en Kamerleden dagelijks een ‘rondje’ kranten en journaals, om te zoeken naar geschikte Kamervragen. Dat wekt de indruk dat Kamerleden, die toch ook voeling met de samenleving horen te houden, dat vooral doen vanachter een kop koffie en via de krant.

Dat beeld klopt niet, vindt Sharon Gesthuizen, ook een SP’er uit de toptien. Ze zegt dat verwijzing naar berichtgeving uit de media soms ook afgesproken werk is. Ze werkt zelf „zo veel mogelijk” met journalisten samen om aandacht voor onderwerpen te krijgen. Ze speelt soms mails van mensen met problemen door aan journalisten. „Ik kan vragen stellen over zo’n individueel geval, maar als een journalist een algemener stuk schrijft heb ik een betere aanleiding om vragen te kunnen stellen.”

Over de antwoorden van bewindspersonen is Gesthuizen minder te spreken. „Ongeveer de helft is onbevredigend en flauw. Dan interpreteren ambtenaren de vragen expres verkeerd”, zegt ze. De oplossing? „Dan stel ik gewoon aanvullende vragen.”