Vos, O’Neill, Woody, Blanche

Vogels hebben nare gezichten. Dat weet ik van de tekeningen van Peter Vos, ik zag ze op zijn tentoonstelling in het Rembrandthuis in Amsterdam. Ovidius schreef het zo makkelijk: Antigone wordt een ooievaar, de nimf Alcyone wordt een ijsvogel en dat stel brutale zusters wordt een ploegje eksters. Maar hoe ging dat dan? Vos overdacht hoe dat er anatomisch uit zou zien. Hij tekende konten die omhoog komen, klaar voor staartveren. Heupen en dijen die zich krommen tot bouten. Intussen versmelten neuzen en onderlippen tot snavels. En ogen worden beroofd van oogopslag, want die hebben vogels niet. Daarom hebben ze rotkopjes.

Nou ontbreekt in het Rembrandthuis het Beestenkwartet, metamorfoses van heb ik jou daar. Vos tekende het kwartet in 1970 en het is nog altijd te koop, dus het wordt nog steeds gespeeld. Mag ik van jou de buik van de kamerolifant? Nee. Mag ik dan van jou, van de snotaap, de kop?

Hilarische gedaanteveranderingen in progress zijn het. Ik heb ze al kwartettend vele malen bekeken en nog vraag ik me af in welke richting die metamorfoses gaan. Veranderen hier mensen in dieren? Nee, het is spannender, denk ik, het zit andersom. De vos wordt sloddervos, de hommel kloothommel – dieren worden mensen. Kijk maar naar de huismus en de schijtlijster: Vos zegende ze met een gezichtsuitdrukking.

Of we zwarte kleren willen aantrekken, sms’t theatergroep De Warme Winkel aan wie een kaartje reserveerde voor hun voorstelling Achterkant, „anders zien ze ons”. Het publiek voor die voorstelling zit voor de verandering achterop het enorme podium van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

‘Ze’ dat is het publiek dat vóór op dat podium Lange dagreis naar het einde van de nacht van Eugene O’Neill ziet. Die voorstelling bezocht ik drie dagen eerder al, en hij laat me nog niet los. Komt door die witte voeten. Alle vier de personages lopen op blote voeten, ze flitsen op onder hun zwarte pantalons. Dat ze barrevoets zijn, lijken ze zelf niet in de gaten te hebben en dat maakt ze extra kwetsbaar. En triest. Hun naakte tenen zijn voor mij de essentie, ze verraden het menselijk tekort.

Terwijl op het podium die vader, moeder en twee zoons langzaamaan verkruimelen tot droeve duiveltjes, maak ik nu dus Achterkant mee. Het veertigkoppige publiek zit, inderdaad braaf in het zwart, op een tribune achterop het enorme podium, waar in de verte dus die Lange dagreis wordt gespeeld, we zien de spelers als poppetjes achter de donkere ruit in het decor. Voor ons vertolken Vincent Rietveld en Ward Weemhoff twee mislukte acteurs, gedegradeerd tot vervuilde toneelknechten. In fantastisch geïmproviseerde tirades geven ze jaloers af op het stuk, de regie, de acteurs – en af en toe jacht Gijs Scholten van Aschat of een van de anderen voorbij, op weg van een afgang naar een opkomst aan de andere kant. Dit is theater: een waanwereld zowel op het podium als achter de schermen.

Ook Blue Jasmine van Woody Allen toont een achterkant, van dat andere meesterstuk uit de Amerikaanse toneelgeschiedenis: A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams. Tramlijn begeerte. Uit 1951, de verfilming lanceerde Marlon Brando als filmster. Het stuk beweent de neergang van de aan lager wal geraakte southern belle Blanche Dubois. Ze vreet de boel uit in het tweekamerappartement van haar zus, heeft kapsones en maakt zich onmogelijk. Blanche is geen bom. Ze is een ballon die op knappen staat.

Blanche werd Blue (Jasmine) in de film waar Woody Allen Streetcar anders in elkaar puzzelde, met behoud van alle stukjes. Gespannen wacht ik op die ongelooflijke mooie slotzin: „I have always depended on the kindness of strangers”. Er spreekt vertrouwen uit, irreëel, maar het is een straaltje licht in dit zwartgallige stuk.

De zin komt niet.

Later besef ik dat de zin er wél is juist doordat hij er níet is. Jasmine zit op een bankje en praat in zichzelf. De mevrouw naast haar weet niet hoe snel ze zich uit de voeten moet maken. Einde film. Blanche/Jasmine staat nu helemaal alleen, zelfs die kindness of strangers kan ze vergeten.

Woody lijkt een leuke, ouwe oom die ons amuseert met zijn zoetzure komedies. Maar vergeet zijn Matchpoint niet en lang geleden choqueerde hij zijn publiek al met het cynische Interiors. In Blue Jasmine treurt hij. Hij moet ons helaas vertellen over egocentrische mensen die geen zin hebben in een zwak iemand. Hij wil maar zeggen, de wereld is weer slechter geworden.