Terrorisme is hier geen dreiging

In het Westen is terrorisme geen noemenswaardige fysieke dreiging. Wel een gevoelde dreiging. De belangrijkste taak voor overheden is dus om ze niet met allerlei waarschuwingen in de kaart te spelen, stelt Edwin Bakker.

In het afgelopen half jaar was terrorisme meermalen prominent in beeld. De VS en het VK werden opgeschrikt door aanslagen. Ook werd de westerse bevolking een aantal keer gewaarschuwd voor nieuwe aanslagen en geconfronteerd met zichtbare maatregelen hiertegen.

Overheden lijken te willen laten zien dat ze alert zijn en bereid om vergaande maatregelen te nemen om een aanslag te voorkomen, ook als men niet zeker weet waar, tegen wie en hoe die aanslag zou zijn. Dat klinkt erg verantwoordelijk, verstandig en daadkrachtig. Het legt echter ook kwetsbaarheden bloot die voor iedereen zichtbaar zijn, ook voor terroristen. De sluiting van ambassades en de publiekelijk afgekondigde verhoging van de terreurdreiging tonen dat zelfs niet specifiek geuite dreigingen voldoende zijn om in meerdere landen vergaande acties te ondernemen. De terrorist kan ook zonder aanslag of concrete poging daartoe de tegenstander in beweging krijgen, wat het dreigen een aantrekkelijk instrument maakt.

Overheden tonen dat ze voor onze veiligheid waken, maar tevens dat terrorisme een groot gevaar is dat drastische maatregelen rechtvaardigt. Denk aan de ‘manhunt’ na de aanslag in Boston. Met dergelijke reacties spelen ze terroristen ongewild in de kaart, omdat het de dreiging groter maakt dan die in feite is. Terrorisme is in het Westen geen noemenswaardige fysieke dreiging – het aantal slachtoffers is zeer beperkt – maar primair een gevoelde dreiging. Grote uitzondering waren de aanslagen op 11 september 2001. Voor terroristen was en is het zeker na het uitblijven van een tweede ‘9/11’ zaak het gevoel van dreiging in stand te houden. De cijfers zijn echter allerminst verontrustend; het aantal aanslagen in het Westen is sinds ‘9/11’ veel lager dan in de decennia daarvoor. Maar het beeld van een groot gevaar is helaas nog steeds intact en wordt continu gevoed door de wisselwerking tussen incidenten en de reacties van overheden, die soms overtrokken zijn.

Natuurlijk moet een overheid ‘iets’ doen bij een dreiging en zeker na een aanslag. Maar het hoeft niet altijd erg zichtbaar te zijn en niet alles hoeft met ferme taal te worden verdedigd. Nuance en nuchterheid zijn te prefereren boven machtsvertoon. Overheden moeten ook oppassen met waarschuwingen, zeker als er geen handelingsperspectief voor de burger wordt geboden. Veiligheidsorganisaties en politieke leiders zouden vaker moeten durven zeggen dat terrorisme geen enorm veiligheidsrisico is.

Dat laatste gebeurt niet vaak en dat maakt recente uitspraken van president Obama zowel bijzonder als hoopgevend. Hij durfde te zeggen dat de kans om in de VS om te komen bij een aanslag kleiner is dan bij een auto-ongeval. Helaas vinden waarschuwingen en maatregelen veel vaker plaats dan pogingen om de situatie in perspectief te laten zien. Dit is begrijpelijk, een politicus loopt het risico een dag later geconfronteerd te worden met een aanslag. De nuance vraagt om politiek lef. Obama stak zijn nek uit, mogelijk in het besef dat overheden te vaak onbedoeld bijdragen aan het vergroten van de angst voor terrorisme en daarmee terroristen nogal in de kaart spelen.