Straffen om het straffen

Een hoge ambtenaar van Europees buitenlandvertegenwoordiger Catherine Ashton had de Jordaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken Marwan Muasher te gast. Muasher probeert branden in buurlanden uit te trappen. Veel westerse regeringen maken gebruik van zijn inzichten en connecties. Interessant detail van dit diner: de ambtenaar betaalde het restaurant uit eigen zak. In de kantine van de Europese buitenlandse dienst mag geen alcohol meer geschonken worden onder ministersniveau – bezuinigingen. Iemand van Muashers statuur een glaasje melk aanbieden vond de ambtenaar „een diplomatiek affront”. Dus gingen ze naar een restaurant. Dat wordt niet vergoed.

Wat deze anekdote te maken heeft met de plannen voor militair ingrijpen in Syrië, waar een paar Europese landen zich na het nee van het Britse parlement het hoofd over breken? Simpel: Europa heeft ambities als het om andermans staatsinrichting gaat, en propageert die luidkeels, maar trekt de middelen er niet voor uit. Mevrouw Ashton, die kantoor houdt boven een supermarkt, heeft geen vliegtuig tot haar beschikking. De Europese buitenlandse dienst bestaat pas net, maar lidstaten beknibbelen alweer op de kosten. Er is nauwelijks protocol, databeveiliging is een lachertje, hele regio’s worden gedekt door anderhalve man en een paardenkop.

Dit hoeft geen ramp te zijn. Maar dan moet je de gevolgen ook accepteren én verdedigen – namelijk dat Europa soms een toontje lager moet zingen. Het gedoe rond Syrië toont aan dat Europese burgers dit makkelijker accepteren dan politici.

EU-landen willen hun buitenlandse politiek zelf blijven doen, land voor land. Vooral oud-grootmachten Groot-Brittannië en Frankrijk proberen dit nog. Maar in Libië, in 2011, smeekten Parijs en Londen meteen om Amerikaanse steun vanuit de lucht. Ze hadden niet genoeg materieel.

Na Irak, Afghanistan en Libië hebben Europese burgers geen zin in Syrische avonturen. Zij begrijpen niet wat voor zin het heeft, om in naam van de ‘westerse democratie’ in verre landen tienduizenden slachtoffers te maken. Tot voor kort kwam deze interventiemoeheid Europese en Amerikaanse politici goed uit. In Syrië zijn nauwelijks good guys en bad guys. „U denkt toch niet dat wij Al-Qaeda gaan steunen?”, zei een Amerikaanse functionaris in mei, gevraagd of Washington de oppositie ging helpen. Europeanen wilden niet poken in een regionale oorlog tussen sunnieten en shi’ieten. Daarbij hebben de strijdende partijen machtige sponsors, zoals Iran, Rusland, Saoedi-Arabië. „Better stay out”, zei de Amerikaan.

Toen kwam de gifgasaanval. Damascus overschreed een ‘rode lijn’: geen chemische wapens. Amerikanen, Fransen en Britten, bedenkers van die rode lijn, riepen in een reflex dat Damascus gestraft moest worden. Straffen omwille van het straffen, opdat westerse leiders niet op hun gezicht gaan: dat leek de enige strategie. Geen regime change ditmaal. Geen bufferzones. Geen wapens voor de oppositie, waar ooit sprake van was. Waarom zoveel haast? Waarom niet eerst uitzoeken of de oppositie de aanslag pleegde, zoals diverse experts vermoeden, om ingrijpen te provoceren? VN’er Carla del Ponte meldde in mei dat de oppositie gifgas had. Turkse politieagenten confisqueerden kilo’s sarin. Waarom net doen alsof er een strategie is, als er geen strategie kán zijn omdat alle alternatieven even erg zijn? Waarom kunnen Europese politici zo moeilijk toegeven dat de instrumenten die ze tot hun beschikking hebben, niet toereikend zijn?

De nieuwe paymasters in het Midden-Oosten zijn Iran, Qatar, de Saoedi’s. Naar hen wordt geluisterd, niet naar Europa. Door het gezwabber van afgelopen dagen zal Europa nog minder serieus genomen worden. Dat krijg je ervan, als je melk schenkt, maar net doet alsof het nog champagne is.

Dit is de eerste column van oud-Brussel-correspondent Caroline de Gruyter. Zij schrijft wekelijks op deze plek over Europa.