Oorlog in het commentaar: krant kiest voor ingrijpen

Trekt NRC Handelsblad ten oorlog? Het commentaar van de krant sprak zich woensdag uit voor „een gerichte actie’’ tegen het Syrische regime, „met als doel om herhaling van de inzet van gifgas te voorkomen’’ – ja, mits er bewijzen komen (Ingrijpen in Syrië, 28 augustus).

Gisteren volgde een tweede commentaar, waarin de krant zich schaart achter de uitspraak van minister Timmermans dat het kan zijn dat „iets niet legaal is, maar wel legitiem”. De gifgasaanval, volgens de krant „een flagrante schending van het internationale Verdrag Chemische Wapens”, mag niet onbestraft blijven, ook niet als de diplomatieke weg bij de VN doodloopt (Volkenrecht versus politiek, 30 augustus).

Dat is een kentering voor de krant, die zich tot nu toe sterk maakte voor diplomatie tot het uiterste. „Hoe frustrerend ook, veel kunnen de Europese landen op dit moment niet doen om een eind aan deze oorlog te maken” (De oorlog in Syrië en wij, 28 mei 2013). En, na het trekken van de ‘rode lijn’ van Obama: „Het doel moet zijn via onderhandelingen de politieke oplossing dichterbij te brengen”. Door een inmenging zou het bloedige conflict „alleen nog maar langer duren” (De rode lijn van Obama, 14 juni).

En in het eerste commentaar na de gifaanval: „Het is makkelijk gezegd dat ‘de wereld’ moet ingrijpen. [..] Dan nog blijft de vraag met welke militaire middelen welk politiek doel wordt gediend.” (Wanhoop over Syrië, 22 augustus).

Die scepsis lijkt verdwenen, na de toespraak van de Amerikaanse minister Kerry, die zei te beschikken over bewijzen van een gifgasaanval. Die moeten wel op tafel komen, vindt de krant – maar intussen heeft die zich al wel verplicht.

Verstandig? Het wordt interessant om te zien hoe dat zich ontwikkelt, de komende weken, nu twijfel toeneemt en militaire actie voorlopig nog lijkt uit te blijven.

Eerder steunde NRC Handelsblad de luchtoorlog in Libië, maar vooral omdat er „geen andere keus” meer was, en pas na het aannemen van een resolutie in de Veiligheidsraad (Door Gaddafi gedwongen, 18 maart 2011). Over de luchtoorlog boven Joegoslavië twaalf jaar eerder was de krant sceptisch. De Golfoorlog van 1991 had, na een VN-uitspraak, wel weer op steun van de krant kunnen rekenen.

En dan was er, natuurlijk, Irak.

Het indringendste oorlogscommentaar van de krant dat ik ken, was dat waarin de krant in 2003 – met onverholen tegenzin – steun uitsprak voor die omstreden Brits-Amerikaanse invasie, en dan niet alleen politiek maar „als het moet” ook militair (Aanval geopend, 20 maart 2003). Met die toevoeging was de krant vrij uitzonderlijk in Nederland. Een dag later volgde internationaal publicist Paul Scheffer met de kop Bommen scheppen verplichtingen (21 maart 2003).

Toch was dat commentaar allesbehalve oorlogszuchtig, maar eerder een toonbeeld van grimmig realisme, waarin spijt en frustratie doorklonken.

Dus stelde het commentaar ook vast dat de casus belli niet deugde en dat het „laakbaar” was een oorlog te beginnen zonder steun van de VN. Met een retorisch herhaald „het ware beter geweest als...” hamerde het commentaar de frustratie van de krant eruit. Want: „De internationale gemeenschap heeft van dit conflict in politiek opzicht een opzienbarende puinhoop gemaakt.” Verschil met nu: het bombardement van Bagdad was die ochtend al begonnen.

Of je het nu met de conclusie van dat commentaar uit 2003 eens bent of niet – de casus belli bleek in elk geval niet te deugen – het mooie ervan is, dat de krant zijn worsteling en chagrijn liet zien. Tot het laatst wachten, maar dan ook kiezen. Een stuk met persoonlijkheid dus – al was het dan niet ondertekend.

Dat is dan ook in het algemeen de meerwaarde van zulke commentaren. Ze geven de krant als geheel een stem.

Ik werd daar woensdag weer op aangesproken bij een college voor eerstejaars Journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Het was hun opgevallen dat bijna alle artikelen worden ondertekend, en vaak ook nog gesierd met lachende of bedachtzame portretten van de auteurs. Ook de ombudsman werd prooi van een nieuwe fotoshoot (zie boven). Behalve dat commentaar op pagina 2, waar ‘de krant’ hardnekkig anoniem een standpunt inneemt.

Het dorpje van Asterix?

Het argument om commentaren niet te ondertekenen (de Volkskrant doet dat overigens wel), is nog steeds dit: het commentaar is niet de mening van één individu, maar het resultaat van een gedachtenwisseling tussen commentatoren, vakredacteuren en hoofdredactie.

Een fictie misschien, die ‘mening van de krant’, maar ik vind het een nuttige fictie – omdat het onderstreept dat de krant een cultureel en ideëel instituut is, en geen verzameling losse individuen of een studio vol journalistieke sterren.

Dan nog een postscriptum bij een ps’je, over persoonlijk nieuws.

Vorige week schreef ik over de scheiding van PvdA-leider Diederik Samsom dat de krant het bericht, een primeurtje, bescheiden had gebracht, „eerder als een komma dan als een uitroepteken”.

Maar op dat college merkte een student juist op dat NRC het „groot” had gebracht. Dat kan, want in de krant was het een kort inzetje bij een groot stuk over spanningen in de coalitie, maar op de website nrc.nl belandde het als een apart bericht, zonder dat begeleidende stuk. Ja, dat geeft het een heel andere lading.

Voor een deel is dat vormgeving: de site kent geen ‘inzetjes’, zoals in de krant. Maar de redactie van de site maakt ook een eigen afweging, en die vond dit nieuwtje opmerkelijk genoeg om het vervolgens óók prominent te melden in de digitale nieuwsbrief. En zo werd de komma alsnog een uitroepteken.

Het is een gevolg van de differentiatie binnen het merk ‘nrc’. Zoals nrc.next andere accenten legt dan de middagkrant, zo vaart ook de site een eigen koers.

Maar lezers zien toch vooral ‘NRC’, en vinden het begrijpelijk genoeg merkwaardig als de krant iets klein brengt, en de site ermee uitpakt.

Persoonlijkheid is goed, meerdere ook – maar liever niet gespleten.

Reacties: ombudsman@nrc.nl