Nuchter en naïef in een wondere wereld

Seamus Heaney (1939-2013)

De grootste Ierse dichter sinds W.B. Yeats werd hij genoemd. Net als Yeats kreeg hij de Nobelprijs voor Literatuur en reikte zijn invloed tot ver buiten de literaire kringen. Gisteren is hij overleden, op 74-jarige leeftijd.

Foto Hollandse Hoogte

Een paar spelende kinderen klimmen omhoog tegen de hellingen langs de spoorbaan en staan dan oog in oog met de grote witte porseleinen knoppen van de telegraafpalen. Zo begint het gedicht ‘The Railway Children’ van de Ierse dichter Seamus Heaney. Het is een herinnering aan zijn kindertijd op het Noord-Ierse platteland, ergens in het graafschap Derry (zoals de katholieken zeggen; volgens de protestanten is het London-Derry). De kleine Seamus en zijn vriendjes zien ‘the white cups’ van de telegraafpalen en horen de draden knetteren. Hij ziet hoe ze zich kilometerslang uitstrekken, naar het oosten en het westen, in mooie bogen, lichtjes deinend onder het gewicht van de zwaluwen. De aanblik is wonderlijk, de sfeer mysterieus. We zien alles door de ogen van het kind dat onder de indruk is. ‘We were small and thought we knew nothing / worth knowing.’ Wat weten ze van het geheim van de telegrafie? Heaney vertelt dat ze dachten dat de woorden met de regendruppels langs de draden reisden en dat ook het licht en het geglinster van de draden mee gevoerd zouden worden. En zijzelf?

Aan het slot neemt het gedicht een verrassende, typisch kinderlijke, maar ook typisch dichterlijke wending: de kinderen stellen zich voor dat ze, oneindig verkleind, mee kunnen reizen de wijde wereld in, zo klein dat ze ‘door het oog van de naald’ passen – en daarmee is ook verwezen naar de vreemde wereld van bijbelse verhalen en uitdrukkingen waarmee Heaney als katholieke jongen opgroeide.

‘The Railway Children’ is een van de vele gedichten waarmee Heaney zijn jeugd heeft opgeroepen. De sfeer is altijd geconcentreerd. Hoe vreedzaam en landelijk ook, er hangt altijd iets in de lucht. Angst, onzekerheid, een hogere macht, een andere wereld. In zekere zin is die kinderlijke blik op een wonderlijke wereld vol geheimzinnige draden altijd gebleven.

Er zijn verschillende gedichten waarin hij zich in een metro bevindt. Niks bijzonders zou je denken, maar dat is het wel, zeker in het Londen van na de aanslagen van juli 2005. In Heaneys beleving wordt de afdaling naar de ondergrondse ook vanzelf, zonder veel opgelegde symboliek, een afdaling in een mythologische onderwereld, met waakhonden, muntjes voor de overtocht en ontmoetingen met de geest van overledenen, zoals ook Vergilius en Dante die beschreven.

Er is altijd meer dan er lijkt te zijn – dat is een besef dat in veel van zijn gedichten wordt uitgedragen. Er zijn verschillende werkelijkheden. Soms gaat het om visioenen, soms gaat het om verbindingen met andere tijden, soms breekt er iets van een metafysische gedachte door – maar altijd in heldere, nuchtere bewoordingen, en altijd met een concreet uitgangspunt.

Heaney werd begin jaren zeventig beroemd met zijn gedichten over de Deense veenlijken die in Jutland waren gevonden. Goed geconserveerde lijken, na eeuwen gaaf uit de moerassen tevoorschijn gekomen. Ook weer zo’n concreet gegeven, maar omgeven met allerlei geheimzinnigheden. Veel veenlijken werden met een strop om hun nek gevonden. Terechtgesteld? Zelfmoord? Offers aan de godin van de vruchtbaarheid die elke winter nieuwe jonge levens verlangde? Heaney vermengde zijn beelden van de veenlijken met beschrijvingen van de slachtoffers van de ‘troubles’ in Noord-Ierland eind jaren zestig, begin jaren zeventig – zonder partij te kiezen. Het kostte hem grote moeite om niet tot woordvoerder van een van de twee partijen uitgeroepen te worden. Zelf zei hij daarover: „I had an early warning system telling me to get back inside my own head.”

In zijn eigen hoofd vinden we hem al in het eerste gedicht uit zijn eerste bundel: ‘Digging'. Bijna alle stukken over zijn poëzie beginnen ermee. Misschien is het een goed idee om er, nu hij er niet meer is, mee te eindigen. In ‘Digging’ schaart de beginnende dichter zich in de traditie van zijn vader en grootvader die met de schop, al gravend, hun brood hadden verdiend, de vader als boer en de grootvader als turfsteker. De laatste was de beste turfsteker uit de buurt. Soms moest de kleine Seamus zijn opa in het veen een fles melk brengen, met een prop papier als kurk. Opa ging dan even rechtop staan, dronk de fles in één teug leeg en viel vervolgens weer op zijn plaggen aan. Tegen hun werklust en vakmanschap moet de jonge Heaney het afleggen. Hij beschikt niet over een schop, maar neemt zich in zijn eerste gedicht voor met de pen hun voorbeeld te volgen: ‘Tussen mijn vinger en mijn duim- Rust de logge pen.- Met hem zal ik graven.’ En dat is wat hij vervolgens is gaan doen.