Jubileum

PSV heeft dan toch de Champions League niet gehaald. AC Milan bleek net iets te gehaaid. Jammer voor het jubileumjaar van de honderdjarige, maar de jubelstemming die de laatste tijd zo parmantig door Eindhoven zindert, is niet gebroken; het zelfvertrouwen niet geknakt.

Voor het eerst sinds jaren mag PSV weer een avontuurlijke club genoemd worden. Open en bloot in de strijd naar succes. Niet het geniepige countervoetbal, niet verstikt in gesluierde stratego’s. Immer voorwaarts.

Fladderend en vlinderend.

Snaken en knapen als Karim Rekik, Memphis Depay en vooral Zakaria Bakkali laten in Eindhoven oude tijden herleven. Hun krolse bevliegingen doen denken aan Ralf Edström in de jaren zeventig van de vorige eeuw en later aan Ronaldo en Romário, aan Luc Nilis en Phillip Cocu.

Een samenscholing van onwaarschijnlijk talent.

Ineens stonden ze er, de raspaardjes. Klaar voor het grote werk. Nog niet tegen AC Milan, maar wel in de eredivisie. De landstitel is geen utopie meer. De Herdgang wordt door pers en publiek weer betreden als was het een sanctuarium. Analisten zien in Bakkali de virtuositeit en snelheid van Johan Cruijff terug. Ook nog met een toefje motorische souplesse van Lionel Messi bovenop. Anderen dwepen met Karim Rekik – een verbeterde uitgave van Paolo Maldini en Franco Baresi, zegt men.

Jonge, solide snotneus.

Wie de geschiedenis van PSV een beetje kent, is niet verbaasd over de inzaai van begenadigde topvoetballers. Philips zwaaide met geld en in het clubbestuur zaten mannen met voetbalkennis. Er werd weleens gezegd dat het transferbeleid van PSV van God gegeven was. Zeker in de tijd dat de club nog een eigen kapelaan had.

In de jaren zeventig wilde zowat iedere Nederlandse puber Ralf Edström zijn. Als een nimf dartelde de Zweed over het veld. Vluchtschoten en volleys op bestelling. Ook nog mooie, lieve jongen. Een cinematografische icoon, bijna, die meer aan nachtcrème dan aan testosteron deed denken.

Volbloed estheet.

De onbetaalbare vedetten Ronaldo en Romário werden na een sluwe deal door Philips tijdelijk in Eindhoven gekazerneerd. De Braziliaanse wonderboys gaven PSV internationaal cachet. Soms onhandelbaar en explosief, humeurig en grillig, maar in rendement absolute goudhaantjes.

Vooral Romário was een tovenaar in de zestien.

Vervolgens kwam de man met de meest verfijnde trap van de eredivisie PSV vervoegen: Luc Nilis. Zijn doelpunten waren stuk voor stuk om in te kaderen. Nilis bracht ambiance in de selectie. Iedere maandag gidste hij de spelers naar een roemruchte discotheek in Hasselt. Dat nachtgebraak is bijna zijn ondergang geworden.

Aanvankelijk mocht het management van de club er ook zijn. Harry van Raaij kende het wereldje en zorgde ervoor dat naast de vedetten er ook nog een paar volksjongens in het succes konden delen. Berry van Aerle – nu postbode – was zo’n sympathiek meneertje dat moeizaam met twee woorden sprak. Het ratje Stan Valckx werd de lieveling van de harde kern. Hij voetbalde op pils en chips.

Enfin, de sociologische balans klopte.

Het sprookje bleef niet duren. Harry van Raaij verloor zijn gezag en in de bestuurskamer werd de Boerenkrijg bijna wekelijks nagespeeld. Met Jan Timmer als bronstige satraap.

De lieve vrede was weg, de idylle vermorzeld.

Vandaag vormen bestuur, staf en spelers van PSV weer een gesloten front. Iedereen gelukkig. Tot ver buiten Eindhoven wordt de staat van genade gevolgd met bewonderende blikken. Geen dedain meer, integendeel, ruiterlijke erkenning van een academische Wende bij de lampenclub.

Honderd jaar heeft het geduurd om tot het pantheon van Ajax en Feyenoord toe te treden.

Het is PSV toch gelukt.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.