Hogere straffen jagen niet meer angst aan

Angst is voor de wetgever geen relevant begrip. De term komt in de Nederlandse wet maar één keer voor. En dan betreft het ook nog angst voor fictie, namelijk horror. In de Mediawet staat dat voor programma’s die bedoeld zijn om angst op te wekken, de minister regels en uitzendtijdstippen mag vaststellen. Wat een opluchting; angst op tv, dat is tenminste onder controle! Lees artikel 53 Mediawet.

Waar de wet de burger wel tegen wil beschermen is vrees. Voor ontdekking, aanslagen, verduistering, een ramp, schade, verstoring van de openbare orde, zedelijkheid, veiligheid, benadeling, verwaarlozing – de wet biedt een vrijwel complete catalogus aan bedreigingen van het bestaan. ‘Angst’ is de wetgever vermoedelijk te psychologisch, te subjectief. Er zit beklemming in, sidderend onheil en enge dromen. Vrees klinkt objectiever en rationeler. Bovendien betekent vrees ook ontzag en eerbied, nuttige waarden om aan te moedigen. Angst is meer iets voor dokter en patiënt. Vrees speelt tussen overheid en burger.

Zijn mensen trouwens vaak angstig in Nederland? Dat valt zo te zien wel mee. Volgens het CBS zei 12,7 procent van de Nederlandse bevolking dat het vorig jaar een ‘angstige periode’ had. Waarvoor of waarover staat het er dan helaas niet bij. Hangjongeren, de tandarts, het donker? Het antwoord komt deels van de ‘Risico- en crisisbarometer’ van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding. 75 procent van de bevolking is desgevraagd bang voor de economische crisis, 35 procent voor werkloosheid, 49 procent voor een terreuraanslag en 58 procent voor een cyberaanval. De nieuwsconjunctuur is eraan af te lezen. De meting is uit juni: in april en mei werd de bankensector aangevallen door hackers. Veilig kunnen werken en geld verdienen – dat is kennelijk de kern van het bestaan.

Medicijnen tegen angst, onrust, depressie en slaapstoornissen gaan intussen vooral naar alleenstaanden en ‘personen uit eenoudergezinnen’. De burger is in z’n eentje dus banger dan met z’n tweeën.

Angst en schrik vormen intussen wel de pijler waar het strafrecht op rust – dat gaat immers uit van preventie door afschrikking. De burger wordt geacht bang te zijn van de sancties en daarom de wet niet te overtreden. En wie al gestraft is zou daarvan zo onder de indruk zijn, dat hij het vanzelf niet nog eens doet.

Probleem van deze benadering is dat iedere burger een redelijk handelend mens moet zijn, die zijn gedrag onder controle heeft, de gevolgen kan overzien en tot leren in staat is. Impulsief, dwangmatig of ronduit gestoord gedrag onttrekt zich aan de logica van de afschrikking. Wie niet schrikt, nooit bang is, nergens over nadenkt, uitsluitend in het nu leeft, zich door emoties laat leiden, stoned of dronken is of gewoon te jong of te gestoord om het allemaal te begrijpen – die weegt kosten en baten helemaal niet beredeneerd af, zoals het strafrecht veronderstelt. Deze categorie ontdekt pas op het bureau of in de rechtszaal, als ze daar al terecht komen, wat er aan de hand was. En ze vergeten die ervaring vaak weer of zijn niet in staat die kennis op te nemen of toe te passen.

De verwachtingen van door de staat ingeboezemde vrees kunnen dus niet hoog gespannen zijn. Zeker niet voor al die misdrijven waarvan de strafbaarheid velen uitgelegd moet worden, omdat er geen zichtbaar slachtoffer is. Dan bedoel ik dus niet doodslag, maar illegaal gokken, roken op televisie of de belasting ontduiken.

De afschrikkingstheorie zegt dat aspirant-daders banger zullen worden als de kosten van het overtreden omhoog gaan. Als de pakkans en de strafmaat hoger worden, terwijl de tijd tussen daad en straf korter wordt, schrikken mensen meer, is het idee. Maar werkt dat ook? Gaat de criminaliteit omlaag als er meer daders worden opgepakt, ze strenger worden bestraft – en dat alles in een hoger tempo dan nu het geval is?

Het gezond verstand zegt van wel, maar empirisch bewijs is er niet voor. Vooral het verhogen van de pakkans, niet de straf, schrikt aspirant-criminelen meer af. Over het verhogen van de strafmaat zeggen de criminologen Frank Bovenkerk en Ed Leuw (in ‘Criminologische kennis en de toepasbaarheid daarvan’) dat dit „kan helpen, maar heel vaak blijkt dit verbazingwekkend weinig effectief”.

Een aantal jaren geleden besteedde het tijdschrift Justitiële Verkenningen een special aan afschrikking. Daarin werd voor Europa vastgesteld dat van het knutselen met beleid om afschrikking te verhogen eigenlijk geen effect verwacht mocht worden. Onderzoeker Michael Tonry schrijft dat velen ‘intuïtief menen’ dat hogere straffen inderdaad voor meer afschrikking zorgen. Maar het bewijs ervoor noemt hij ‘buitengewoon ambigu en omstreden’. Hogere straffen maken niet uit, lijkt eerder waar. Daarvoor verwijst hij naar de herinvoering van de doodstraf in de VS in 1976, de voortaan verplichte arrestatie aldaar bij licht huiselijk geweld en het niet langer mogen weigeren van een wapenvergunning als aan enkele basisvoorwaarden is voldaan. Van alle drie werd een hogere afschrikking verwacht: minder geweldsmisdrijven. Dat deed zich echter niet voor. Als zulke radicale maatregelen al geen effect hebben, dan is er van een verplichte minimumstraf hier of een verhoginkje daar helemaal geen effect te verwachten. Dat is alleen fijn voor de tribune. De zekerheid en de snelheid van een straf – dat helpt wel. Net als preventie.

De auteur is juridisch redacteur.